Hoofdtekst
Jan Michiels Cornelis die werkte met nen andere boer. Die had hei gemaaid en die legde hem daal om te rusten. Die bij hem werkte had de naam van weerwolf en die stond stillekens op en die kroop door ne ring en daar liep daar nen hond henen. Die Cornelis had dat gezien. Die was heel lang achtergebleven en toen hij aankwam zei Cornelis: "Nu zullen we maar opstaan; nu hebben we lang genoeg gerust." Maar den andere wa nog maar juist terug; die was in Kelchter achter de hennen geweest en die was nog nat van het zweet; zo had die overal rondgelopen.
Beschrijving
Jan M.C. was samen met zijn knecht de heide aan het maaien. Toen de mannen een tijdje hadden gewerkt, besloot Jan dat het tijd was voor een rustpauze. Jan zag hoe zijn knecht stiekem opstond, door een ring kroop en vervolgens in een hond veranderde. Na lange tijd kwam de knecht terug. Daarop sprak Jan: "Nu moeten we opstaan, want we hebben lang genoeg gerust". De knecht was echter doodmoe omdat hij de hele tijd als weerwolf had rondgelopen.
Bron
A. Princen, Leuven, 1965
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tussen hasselt en beringen)
520
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Jan M.C.   
Naam Locatie in Tekst
Zonhoven   
