Hoofdtekst
Potters Djeefke (Jef de Potter) vertelde tegen de kinderen dat (ook maar van horen zeggen) ze waren gaan bidden – ze gingen dan bij de doden gaan bidden – en ’s avonds gingen ze met de mensen samen gaan bidden. Er brandde daar een kaars (dat is allemaal verleden tijd). Ze vertelden dat ze ook eens waren gaan bidden als ze klein waren en dat ze niet naar huis durfden komen. En ziun vader vertelde dat als hij naar huis kwam dat dat lijk hem tegenkwam. Maar ik denk dat het de mensen zelf waren die de mensen schui maakten. Nu bestaat dat niet meer.
Beschrijving
Een kind dat 's avonds bij een dode was gaan bidden, durfde haast niet meer naar huis te komen. Onderweg geloofde de jongen dat het lijk hem tegemoet kwam.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (zuiden)
5A
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Mater   
