Hoofdtekst
Beschrijving
Een smid had geen werk meer en vertelde aan zijn ouders dat hij de wijde wereld in zou trekken. De jongen nam wat kleren en een dikke ijzeren stok en vertrok. In een dorp kwam hij bij het huis van een kleermaker die met een naaimachine aan het werk was. De jongen legde uit dat hij thuis was vertrokken omdat hij geen werk had. Daarop sprak de kleermaker: “Ik ben hier met mijn naaimachine aan het werk om de indruk te wekken dat ik werk heb, maar eigenlijk heb ik ook niets te doen”. De kleermaker ging met de smid mee. In een ander dorp zagen ze een scharenslijper die met zijn slijpsteen aan het werk was. Ook die man deed echter maar alsof, en had in werkelijkheid al drie dagen niets te doen. De scharenslijper ging met het tweetal mee. De drie werklozen kwamen bij een groot onbewoond kasteel. Ze vonden er eten en besloten er te blijven. “Ik zal de leiding geven”, zei de smid, en hij zei: “Eén van jullie kan gaan vissen en de andere kan proberen eeen haas te schieten. Ik zal hout hakken en voor de keuken zorgen”. De mis schilde aardappelen en kookte die. Daarna kwam er een alvermannetje uit de kelder, dat een aardappel vastnam en zei: “His, his, mijn handje!” Het alvermannetje liet de aardappel vallen en wilde een andere nemen. Daarop zei de smid: “Je moet eerst die aardappel opeten vooraleer je een andere neemt”. Daarop zei het alvermannetje: “Zwijg! Als ik eens fluit, dan komen hier wel twintig kaboutertjes en die trekken je in stukken vaneen”. De smid greep het alvermannetje bij de baard en hing hem aan een kapstok achter de deur. ’s Middags kwamen de kleermaker en de scharenslijper thuis. Toen de smid had verteld wat hij had meegemaakt, liet men het alvermannetje naar de kelder gaan. De drie volgden het kaboutertje en zagen in de kelder meer dan honderd alvermannetjes. Eén van de dwergjes wees naar de smid en sprak: “Ssst, dat is die met zijn stok! Met hem moeten we vriendschap sluiten!” Kaboutervrouwtjes zaten met een fluwelen jas op een mooi stoeltje viool te spelen. De drie mochten bij de kaboutertjes blijven wonen. Na een maand werden ze het ondergrondse leven echter beu en gingen weer boven in het kasteel wonen. Acht dagen later besloten de smid, de kleermaker en de scharenslijper terug naar huis te gaan. Samen vertrokken ze op pad. Ze kwamen eerst bij het huis van de scharenslijper. De scharenslijper zei: “Kijk, mijn kruiwagen staat er nog steeds. Niemand heeft hem gewild”. Plots kwamen de mensen met scharen en messen aangelopen, terwijl ze riepen: “De scharenslijper is weer terug!” De man had zoveel werk dat hij ’s avonds nog niet klaar was. Ook de kleermaker moest bij zijn thuiskomst meteen beginnen naaien omdat er zoveel bestellingen waren. Toen de smid thuiskwam, zag hij zijn ouders aan de blaasbalg trekken en zeggen: “Als onze zoon nu toch eens terugkwam! We hebben hier zoveel werk dat we het nooit klaar krijgen!” De smid had het werk waarnaar hij had gezocht.
Bron
D. Herbots, Leuven, 1974
Commentaar
7. Sprookjes
brabants (oosten)
166I
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Halle   
