Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

STOP0154_0155_21030

Een sage (mondeling), 1964

Hoofdtekst

‘k En nog hoord dat er joengens woren die e tijd ziek woren en dat ’t ol geen avance wos wuk dat d’oeders d’ran dein toetdat ze nor de paters gingen. En ze mosten toen lezen. En ze mosten van dat kindje e bitje gewijd, van ’t ene of ’t ander dat ze kregen van de pater, oender zijn hoofdedige steken en oender de deure. En dat gerochte gedon dormee. De toveresse die dat dei van dat kind ging dor olle dage. En de moeder zei dat tegen de paters. En de pater zei: "Ze gaat nog e keer kommen morgen, mor ze gaat deur de deure niet geraken. Je gaat ze doran kennen."

Beschrijving

Een moeder en een vader wiens kind ziek was, gingen naar de paters. De ouders moesten bidden en iets gewijd onder de deur en onder het hoofdkussen van het kind steken. Daarna genas het kind. De toveres die voor het onheil verantwoordelijk was, kwam iedere dag op bezoek. De pater voorspelde aan de moeder van het kind: "Die vrouw zal nog één keer komen, maar ze zal niet voorbij de deur geraken. Zo zal je haar herkennen".

Bron

S. Top, Leuven, 1964

Commentaar

2.1 Heksen
west-vlaams (vrijbos)
78J
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Woumen    Woumen