Hoofdtekst
'Noë van de Bollebereg', dat was ene boer, mè die hiel(d) iedereen aan. O wee! aster (= als hij) wis(t) dat zje een koe verkoch(t) had! Hij had ook ene grote hond, enen of twie. Ze hebben hem gepak(t) in 't veld a(ch)ter de ploeg op 'Bollebereg' - 'Mag ich nog eens fluiten op mijn hon(den)?' vroegter, mè ze hebben hem nie losgelaten. Hij was a(ch)ter de ploeg met twie pjaad (= paarden). En zij hadden e wach(t)woord, zijn mannen! As zje dat kende, lieten ze oech (= U) gaan. Doa was wel enen hier, die was goed kameraad met Noë. Mè toch, de meeste minsen hiel(d)en zich kameraad met hem. Dat was ene bandiet, doa mocht zje oech nie tegen opzetten, het was beter, toch altijd!
Onderwerp
SINSAG 1304 - Der dankbare Räuber.   
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Toen Noë op de Bolleberg in het veld aan het werken was, werd hij aangehouden door de politie. Hij kreeg niet meer de kans om op zijn twee zwarte honden te fluiten. Zijn roversbende had een wachtwoord. Wie dat wachtwoord kende, werd met rust gelaten. De meeste mensen probeerden met Noë vriendschap te sluiten, omdat ze door zijn bende gespaard wilden blijven.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (tongeren en omstreken)
1136
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Noë V.D.B.   
Naam Locatie in Tekst
Heks   
Plaats van Handelen
Bolleberg   
