Hoofdtekst
De weerwolven zin daarmee geboren. Die mensen zin hele nachten up gang, en ze zin lik niet meer normaal. ’t Wos daar wok een die oezwo wos, zeien ze, gunder in de leegte. Je ging hem olle nachte weg, maar voor dat ne wegging ging ne olsan in ’t overkot van d’hofstee, en j’haalde hem daar voorzekers een vel, want ze zeggen dat ze een vel over hunder hèn. En voe oet ie werekeerde ging ie ook olsan in ’t ovenkot. En de boer die dat zag had lik kompassie met dene jongen, je moste hele dagen werken en ’s nachts moste ne ton nog up de tjool (dool) en ge zaagt dat dat diene jongen daarvan kapot ging. En ze gingen binst dat ne up ’t land wrochte gaan zoeken in ’t ovenkot. En ze vonden bachten een rebbe (rib) een pakske ’t hope gedraaid, en da wos dat vel. En de boer zi: "We gaan dat verbranden, ’t is noch mens noch beeste, en die tjole moest ton ’s nacht up de dril (op gang)" en ze staken dat vel in den oven. Maar van oe dat vel brandde kwam diene jongen van ’t land oe tieren en schruwelen en han ze hem niet met vieren vastgehouden, je sprong in ’t vier. Maar oe ’t vel geheel verbrand wos, bedankte ie de boer omdat ne hem verlost had. Je wos daarmee geboren, up under hoofd koste je dat zien.
Onderwerp
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
Beschrijving
Mensen die als weerwolf geboren waren, hadden een merkteken op hun hoofd. Ze gedroegen zich niet normaal en moesten de hele nacht rondlopen.
Een weerwolf die op een boerderij werkte, ging vóór zijn nachtelijke tocht altijd naar het ovenhuis om er zijn vel te halen. Bij zijn terugkeer ging de jongen het vel opnieuw in het ovenhuis leggen.
Toen de boer begreep wat er aan de hand was, had hij medelijden met de jongen, die de hele dag moest werken en 's nachts ook geen rust had. Op een dag was de jongen op het veld aan het werk, toen de boer het vel in het ovenhuis vond. De boer gooide het vel in de oven. Zodra het vel vuur vatte, kwam de jongen echter schreeuwend en tierend aangehold. Als men hem niet met vier personen had tegengehouden, zou hij in het vuur zijn gesprongen om zijn vel te redden. Toen het vel helemaal was opgebrand, bedankte de knecht de boer.
Een weerwolf die op een boerderij werkte, ging vóór zijn nachtelijke tocht altijd naar het ovenhuis om er zijn vel te halen. Bij zijn terugkeer ging de jongen het vel opnieuw in het ovenhuis leggen.
Toen de boer begreep wat er aan de hand was, had hij medelijden met de jongen, die de hele dag moest werken en 's nachts ook geen rust had. Op een dag was de jongen op het veld aan het werk, toen de boer het vel in het ovenhuis vond. De boer gooide het vel in de oven. Zodra het vel vuur vatte, kwam de jongen echter schreeuwend en tierend aangehold. Als men hem niet met vier personen had tegengehouden, zou hij in het vuur zijn gesprongen om zijn vel te redden. Toen het vel helemaal was opgebrand, bedankte de knecht de boer.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.6 Weerwolven
west-vlaams (ieper)west-vlaams (ieper)
336
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Geluveld   
