Hoofdtekst
dô was een heks, di moes sterve; en z’hâ mo ien dochter en di wilde da ni uiverneime; en di heks vroeg huir kat want ze kon ni sterve; en da metske gaf z’huir, mo ze letten alles af duir het sluitelgat; en zoe hâ z’het zitten, sê! mo ze vulde da ônkoume ne ze liep no de pôters; en di hebben het huir nog kunnen afneime.
Beschrijving
Een heks die op sterven lag, liet haar kat brengen. Haar enige dochter wilde haar kunsten namelijk niet overnemen. De dochter keek door het sleutelgat naar haar moeder die de kat bij zich had. Door haar gegluur werd de dochter echter zelf een heks. Gelukkig konden de paters haar de heksenkunsten nog afnemen.
Bron
A. Abeels, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (sint-truiden)
510
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Truiden   
