Hoofdtekst
Als die toverege dood was konden de paarden niet weg ermee. Ze haalden de kapelaan van Kemmel. Hij zweette van lezen. Op ’t einde zei hij dat ze de paarden moesten keren, ze moesten ze binden aan de staart van de wagen. Dan gingen de paarden vooruit.
Beschrijving
Toen in Kemmel een toveres was gestorven, konden de paarden haar lijk niet naar het kerkhof brengen. De kapelaan kwam de dieren overlezen tot hij helemaal bezweet was en sprak vervolgens: "Je moet de paarden achter de kar spannen". Zodra dat was gebeurd, konden de paarden weer voort.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
31
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Wulvergem   
Plaats van Handelen
Kemmel   
