Hoofdtekst
Tovenaar leest ziekten af.Hier woont nen tovenaar, die was over een paar jaar, geloof ik, met zijn vader aan 't hooien, en in d'ander wei was er ene met een verbrande hand die niet kon genezen. Hij vertelde dat tegen die tovenaar. "Ja," zei deze, "'k zal u er af helpen, maar dan moogt ge dat tegen niemand zeggen." En de ongelukkige was er dadelijk vanaf en hij ging te biechten naar de pastoor. En die pastoor wist ook van die slechte hand, en toen hij dat zag, vroeg de pastoor wie dat gedaan had. "Ja," zei de pastoor, "gij moet dat zeggen." Die mens was heel katholiek en toen dat de pastoor zei dat hij geen absolutie kreeg, heeft hij het gezegd en de pastoor ging er seffens hene voor dat toverboekske.
Beschrijving
Een tovenaar uit Brasschaat was met zijn vader het hooi aan het binnenhalen. Op een andere weide was een man aan het werk, die aan zijn hand een ongeneeslijke brandwonde had. De tovenaar sprak tot de man: “Ik zal je er vanaf helpen, maar je mag het tegen niemand zeggen”. De wonde van de man genas inderdaad meteen. Toen de man ging biechten en de pastoor de genezen hand zag, werd de man verplicht te vertellen wie hem had genezen omdat hij anders geen absolutie kreeg van de pastoor. De geestelijke is dan onmiddellijk naar de tovenaar geweest om hem zijn toverboek af te nemen.
Bron
R. Aertsen, Leuven, 1953
Commentaar
2.2 Tovenaars
antwerps (noorden van de antwerpse kempen)
248
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Brasschaat   
Plaats van Handelen
Brasschaat   
