Hoofdtekst
Mijn moeder heeft nog horen vertellen van ’n vrouwmens dat ze naar de kerstmesse ging en ’t zat ’n luchtje voor heur. En ze riep: "Wie hebben we daar?" En niemand die sprak. En ze ging wat zeerder. En hoe zeerder dat zeg ging, hoe zeerder dat dat luchtje ging. En dat was in den donkeren hé, te midden de nacht, ten twaalven van de nacht. En ze zegt: "Dat is raar, hoe zeerder dat ‘k ga, hoe zeerder dat dat keerske gaat!" En ze riep^nog ’n keer: "Wie is-t-er daar?" En op ’t moment was ’t weg.
Beschrijving
Een vrouw die met Kerstmis naar de nachtmis ging, zag de hele tijd een lichtje vóór zich. De vrouw vroeg: "Wie is daar?", maar er kwam geen antwoord. Hoe sneller de vrouw stapte, hoe sneller ook het lichtje voortbewoog. Toen de vrouw nog eens vroeg: "Wie is daar?" verdween het lichtje plots.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
26
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Kerstmis   
Naam Locatie in Tekst
Tiegem   
