Hoofdtekst
Op het hof van Pere Coppenols werden alle nachten ulder paarden bereden door de mare. ’s Morgens waren de beesten nat van ’t zweet en doodop en met gestrengeld haar. Ze haalden dan de paster. De paster zei de mistresse dat hij ’s noens mocht komen dat nu zijn macht nog te flauw was. Als hij dan geweest was, was dat nu ook gedaan. ’t Zat daar ook iets meer achter.
Beschrijving
Op een boerderij in Zegelsem werden de paarden iedere nacht door de mare bereden. ’s Ochtends waren de dieren helemaal bezweet en waren hun manen gevlochten. De mensen gingen de pastoor halen. De geestelijke kwam pas na de middag omdat zijn macht ’s ochtends naar eigen zeggen nog niet sterk genoeg was. Na het bezoek van de pastoor waren de problemen opgelost.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
110
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zegelsem   
Plaats van Handelen
Zegelsem   
