Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

GSPEE0027_0027_20318

Een sage (mondeling), 1959

Hoofdtekst

Wanneer da je kun werekeersel zien? ’t Moet donker zijn, zo duister mogelijk. Ge gaat ip den dodenakkere, minstens ’n weke of zesse of achte achter da ze begraven zijn. Ze begunnen te stinken en te rotten. Da komt deur de mols. Ze graven tot in die kiste. En ne reuk geef ne lucht. Waar da de mol ’t gat geboord hè, zie je de luch lijk ’n keerse naar boven komen. Da zijn doôkeersen, zegge’k ik. En ‘k hè ’t ekik gezien.

Beschrijving

Zes à acht dagen nadat een dode begraven was, kon men op het kerkhof in het donker een doodkeers zien. Dat was een licht dat ontstond uit de dampen die vrijkwamen bij de verrotting van het lijk.

Bron

G. Speecke, Leuven, 1959

Commentaar

1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (menen en omstreken)
18
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Heule    Heule