Hoofdtekst
‘k Heb ‘ne schoonbroere gehad en zijn beesten waren allemale ziek in zijne stal en ie ging naar de paters en ie vertelde dadde. En zeggen de paters: "Gelooft gij?" –"Ja’k!" zegt ie. "Ja, maar als ge niet gelooft, ‘k komme niet!"zeid’ie, "ge moeste ’t geloof hebben!" En ie zei dat ie geloofde. En de paters kwamen en ze belazen alles en ’t was gedaan;
Beschrijving
Een boer wiens dieren allemaal ziek waren, ging te rade bij de paters. De paters wilden enkel naar de stal komen als de boer in hen geloofde. Nadat de paters alles hadden overlezen, werden de dieren niet meer ziek in de stallen.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (tussen schelde en leie)
534
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Waarmaarde   
