Hoofdtekst
26 Ten zesde. De gangen van de mergelgroeven waren in de loop van de eeuwen zo uitgebreid dat men gemakkelijk kon verdwalen. In geval van oorlog vonden de mensen die door hun dagelijks werk de gangen goed kenden er een veilige schuilplaats. Op zekere dag gingen twee vreemden - men zegt Jezuieten - de berg in met een lange koord. Een uiteinde maakten ze vast aan een boompje. Terwijl ze op hun weg vorderden, rolden ze de koord steeds verder af. Maar een schapenhoeder maakte de koord los, zodat de tocht van de twee mannen eindeloos werd. Ze besloten terug te keren en rolden de koord op, maar geraakten niet aan de uitgang. Slechts weken nadien werden de lijken teruggevonden.
Beschrijving
In de gangen van de mergelgroeven gingen de mensen tijdens de oorlog schuilen. Op een dag trokken twee jezuïeten de berg in met een lange koord die ze aan een boompje buiten de groeve hadden vastgebonden. Een boer schaapherder maakte de koord echter los, zodat de twee mannen niet meer uit de groeve geraakten. Enkele weken later heeft men de lijken van de twee jezuïeten gevonden.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (groot-riemst)
26G 399
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kanne   
