Hoofdtekst
I -Of ja, van terugkerende doden, hebt ge daar nog van gehoord, van een die zou teruggekomen zijn?II -Ah, ze zei het daar van die lichtjes.27 -Die lichtjes, zeggen ze, ja, ik weet het niet ze (hoor).I -Of van mensen die spookten met een laken of een dierenvel, kent ge daar verhalen van?27 -(lacht) Jamaar, daar waren wij niet schou (bang) van ze (hoor)!I -Dat hebt ge zelf gedaan of zo?27 J -Ah vaneigens! Oei, oei, oei! Alfonsine (De Latte).II -Alfonsine wie is dat?27 -Oh, maar ze is ook al lang dood ze (hoor). Die ôt (had) daar beneden hé, tussen Ruiver en dat hof van Saveur hé, stond er daar beneden zo’n huis, recht op ons , ziet ge het daar, dat was in de Poutre en daar ôn (hadden) drie oude gewoond. Dat is daar waar dat die fontein is, waar dat die mens die dat nu gekocht heeft , die vijver gemaakt heeft en ja, die ôn (hadden) ook zo een aardige naam en ge zag daar ook van alles.II -Alfonsine heeft die de naam niet gehad ook dat ze kon toveren, was dat die niet?27 -Nee, nee, dat was die niet. Maar wie waren die mensen die daar woonden die de naam hadden of zo?27 -Nee, die ôt (had) de naam niet ze (hoor) die maakten wij schou, want die was wreed schou.I -Ah, julie deden dat.27 -Ze was naar haar thuis achter melk gegaan en die woonde tussen die, maar ja, bij Ruiver was dat vrouwvolk hé, maar alhier, bij Saveur die oudste waren allemaal weg, Gilberken, is nog twee jaar ouder als ik en thuns (dan) was dat mannenvolk, maar ja, dat koekte daar op die Pardassenhoek allemaal bijeen hé, van Saveurs, van Latte, onze René van Neeken van Daele, Hubert van Canegem en ‘s avonds was dat de gewoonte dat ge zo buitenzat in de zomer hé en elk ôt (had) zijn zeteltje, dat was een keer bij ons aan een schuur, thuns (dan) was dat een keer bij Van Canegem daar rechte thuns (dan) een keer bij den Bei, daar een keer in die berm en in die aarde waren zo zittingskes (zeteltjes) gemaakt en thuns was dat en in de winter was dat binnen gaan omsteken (een pijpje aansteken), in huis en in de zomer was dat buiten zitten hé. Ah ja, en Saveurs Gérard, die zegt tegen mij: “Tsé (zie),” zegt hij, Alfonsine, ja, ze moet thuis passeren voor naar haar thuis te gaan achter melk, zegt hij: “En Nestor is gaan werken,” zegt hij, “ze is van niets schou hé!” zegt hij, “Maar die gaan wij een keer liggen hebben!” aiaiai , “Ja,” zegt hij, “en gij kunt door dat venstertje.” Jamaar als ge jong zijt en niet oud, maar dan, allez, ja, en wij dat geprobeerd, ah ja, zegt hij: “En nu?”, zegt hij: (Ge moet daar schoon ,op haar bed, stoel omkeren, een laken, een stok ôn (hadden) ze mij meegegeven die stok open, dat was voor die armen hé en thuns (dan) een eind verder, een oude bolhoed, een bol stro gemaakt, voor die kop hé en ja, Alfonsine zij was thuns (dan) naar huis gekomen met die melk, die melk uitgegoten, die melk laten koken en ze ging zij dan slapen, ja man, en wij zaten allemaal achter die muur, ja ôn (hadden) ze dat moeten weten hebben! Ik denk wel dat we de gendarmes zouden hebben, maar die was niet meer te stelpen hé, die heeft vier dagen thuis niet meer durven slapen!II -Omdat ge daar een strooien peet in gelegd ôt(had) gij?27 -Dat ding hé, dat laken, daar kon anders niemand door dat venstertje als ik, ah ik moest ik dat gaan doen hé.I -En gij deed dat op de instructies van anderen?27 -Maar dat hebben wij van ze leven niet gezegd ze (hoor)! En thuns (dan) hebben ze er een keer een kleddenvel ook ingelegd. Maar dat was hetzelfde niet ze (hoor), Slok kwam erop hé, op ‘t kleddenvel.II -Haar man?27 -Haar man, Ho gij, man! Dat was een wrede (erge) laveier (stroper) “Een als ik dat weet,” zei hij, “schiet ik ze allemaal af!” zei hij (lacht). Maar alleman hield zijn smoel, maar als ge daar nu een keer ingaat, dat zijn allemaal toch geen toeren (het zijn geen grapjes meer).II -Dat was een geitenvel dat ze daarin gelegd ôn (hadden)?27 -Tôt, tôt, (= toch niet), zo’n oud schaapvel, maar zo een van die bruine korte hé, ge weet wel, en dat er allemaal erop gereedgemaakt hé en dt was kledden, kledden zat daar en dat daar dan zo in een hoek gezet. Ja maar! De Saveurs waren van geen klein gerucht schou (bang).II -Dat was André (De Saveur), de melkboer, die daar toen ook woonde?27 -Ja, maar die was al lang weg; die was wreed jong getrouwd, dat was Gérard die nu ook over een jaar, passeerde (verleden) jaar peins ik (gestorven is). Gérard was een man van de oh ...II -Van de deugnieterij?27 -Van de deugnieterij, en dat was zo een klein venstertje hé, “Gij kunt erdoor” zei hij, ôt (had) hij dat nu ook al geprobeerd? (Gelach). En Kalle Beere was ook van geen klein gerucht schou voor iemand een poets te bakken, maar ja, zijn zuster dat schaap moest het thuns (dan) bekopen hé. Ja, man, maar zo’n huiling! (Alfonsine had blijkbaar nogal gegild.) (Lea spreekt met gedempte samenzweerderige stem.) (Gelach)27 -Jamaar, allez, ge moest dat een keer gezien hebben jong, zo’n groot laken! En daar zo die handen, die stokken en die dingen en met stro en met hooi deden ze vroeger veel ze jaren (geleden). En zo langs de dingen waar dat er water liep ...II -Een man namaken?27 -Oh, gi gotver!II -Een strooien man namaken of zoiets en dan daar zetten voor schoute aan te jagen?27 -Vaneigens dat, en hem kleden! En een vel over, ôn (hadden) ze kunnen een varken villen, ze ôn ‘t (zouden het) ook nog gedaan hebben in den tijd.I -En weet ge zo plaatsen waar dat het zo bespookt was zo, waar dat het ‘s nachts onveilig was zogezegd?II -Of boerderijen die de naam ôn (hadden) dat het daar spookte of zo dat ze zeiden.
Beschrijving
Bij een huis in Grotenberge zag men vaak vreemde dingen. Een vrouw die nergens bang voor was en die melk ging halen, werd het slachtoffer van haar vrienden die haar een poets wilden bakken. Men in het huis van de vrouw namelijk een laken over een stoel getrokken en een bussel stro onder het laken gestoken zodat het geheel op een spook leek.
Een andere keer had men in een hoek van dat huis een oud schapenvel gehangen, zodat de mensen geloofden dat kledde daar zat.
Een andere keer had men in een hoek van dat huis een oud schapenvel gehangen, zodat de mensen geloofden dat kledde daar zat.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
27J
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Grotenberge   
Plaats van Handelen
Grotenberge   
