Hoofdtekst
Dat was ene jongen van Martenslinde. Die vrijde in Hoelbeek en er klopte, maar do was niemand do. Er wachtte een amerije ('n beetje) en toen sprongen drie katten aan het venster in. Toen deden ze open en de moeder zei: 'Ver (we) waren aan het koek bakken - Wilt ger e stuk hebben? - 'Ja', zei de jongen, en er stak het stuk koek in zijn maal (zak). 's Anderendaags wei ter (hij) opstond, toen zat een pad in zijn maal en toen vertelde er dat. En de heksen zegden: Hadt ger hem maar opgeten, dich hes (ge hadt) mech hier niemeer verwijten komen.' En de jongen is nooit meer geweest.
Onderwerp
SINSAG 0594 - Verwandlung von Hexentier in Frau erspäht.
  
SINSAG 0586 - Von Hexe empfangene Äpfel verwandeln sich in Kröten   
Beschrijving
Een jongen uit Martenslinde ging zijn vriendin in Hoelbeek opzoeken. Toen de jongen aanklopte, werd er echter niet opengedaan. Even later sprongen er drie katten langs het raam naar binnen. Daarna deed de moeder van het meisje open en zei: "We waren net koek aan het bakken. Wil je graag een stuk?" De jongen nam de koek aan en stak die in zijn zak. De volgende dag vond de jongen een pad in zijn zak. "Als je de koek mooi had opgegeten, dan zou je ons niets zijn komen verwijten!", spraken de heksen achteraf.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (bilzen)
420
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Martenslinde   
Plaats van Handelen
Hoelbeek   
Martenslinde   
