Hoofdtekst
’t Is stijf (zeer) lange geleen. In de kleene Kaaistrate met al die doodouderwetse dutsen van huizen, stond een oud kot van een huis. Dat was toe Djaake Giessen. ’t Was een zeilmaker van stiel. En ’t gene da’k vertellen ga, dat was azo: z’hadden daar bachten ne zimperpit en dat is teer van versluizen. Als ge daar regelmatig pattatezop ingiet en uwen pot erin afpeur dan komt er ’n harde koste (korst) up, ’t vervloert en ’t komt lijk een steen van hardigheid. Nu, ze mosten dat verdiepen om groter te maken tot dat het zachte grond was en ’t water weer koste zimperen. Ge moet wel weten toen waren d’er nog geen riolen of niet. ’t Waren twee venten gevraagd om die put uit te kuisen en als ze op ’n zekere diepte kwamen en dat de kaste (korst) af was, ze kwamen met hun spa op iets dat zo holde (hol) stuikte. Djaake Cies peisde zèere (vlug): Oola, ’t zit daar entwadde (iets) in van weerde (waarde)! ’t Gerochte (geraakte) juiste noene. Ja, mensen, zei hij, ’t is tijd om te gaan eten! En de twee venten gingen naar huis om t’ eten. Maar ze waren nog maar er vandeure of de man pakte de spa en stuikte ook een keer erop, en hij voelde dat het lijk houtachtig was en ton (dan) gerochte (geraakte) hij geware dat het een houten zware hulle (deksel) was, wel drie vier vingers dikke. Maar welheere toch! door den ouderdom was die pothulle gevort (gerot). Ze stuikte in en hij zag dat ze ’n ijzeren pot dekte, waaraan ’n ijzeren ore was. Hij ging ’n haak halen en trok met dien ijzeren haak den pot uit den zimperpit. En of hij verschoot. Verdorelinge de bovenste lage: ’t was al zilvergeld! al vijffrankstukken! en ’t onderste was al goud oud goud uit den Spaansen tijd. Wat deed hij daarmee? Hij dronk ’n goe teugsje en de twee werkmensen wierden getracteerd en ze wisten nit wiene (wat) dat er gaande was ... maar de reste was voor ’t huis. Ulder (hun) huis was een oud kot, die meer stond om in te vallen dan om rechte te blijven. En de mens heeft z’n huis hersteld. Alzo is Djaake Cies man geworden!
Beschrijving
In zijn huis in de Kleine Kaaistraat in Nieuwpoort liet een zeilmaker een put graven. Net vóór de middag stootten de werkmannen met hun spade op iets hards. De zeilmaker vermoedde dat het om een schat ging en stuurde de werklieden snel weg om te gaan eten. De mannen waren nog maar net weg of de zeilmaker begon zelf verder te graven. In een houten kist vond hij een ijzeren pot vol zilveren vijffrankstukken en oud goud uit de Spaanse tijd. Toen de werklieden terugkwamen, werden ze uitgebreid getrakteerd zonder te weten waarom. De rest van het geld gebruikte de zeilmaker voor de herstelling van zijn huis.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
334
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Spaanse tijd   
Naam Locatie in Tekst
Nieuwpoort   
Plaats van Handelen
Kleine Kaaistraat (Nieuwpoort)   
Nieuwpoort   
