Hoofdtekst
Up de Ruterssale wos er mor een zeune. Enn’had hij oltijd geleerd en geleerd. Mor die joengen moste ten langen latsten met de peerden gon. En o Lauwers e keer upstoend, enne zag dat een van de peerden boven up het dak goeng. En de boer zei dat tegen die joengen en die joengen zei: "’t Is èn haantje" enne klakte e keer in zijn handen en dat haantje vloog nor beneên.
Beschrijving
Op een boerderij had men maar één zoon, die veel had gestudeerd. Uiteindelijk moest de jongen voerman worden. Toen de boer op een ochtend wakker werd, zag hij dat één van de paarden boven op het dak stond. De boer verwittigde de jongen, waarop deze zei: "'t Is een haantje" en eens in zijn handen klapte. Het volgende ogenblik vloog er een haantje van het dak.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (vrijbos)
216F
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Ruterssale   
Naam Locatie in Tekst
Bikschote   
