Hoofdtekst
Dwaalleechskes dat zien keinjer die zien doed gebuore. Die koste ze neet mier duipe. Maa die effekes gebuore ziën en nog liève, die wière gegieduip, dat wilt zègge "zelf gedoopt". Die persoene konste zelf duipe, dat steit in de katekismes, dat maag men. "In tijd van nood mag iedereen dopen". Maa die "gloedlichtjes" zien neet gegeedoopt of niks omdat ze doed gebuore ziën, en die zwerve tösjen hemel en aarde. Die konne neet in den hemel kommen en die kommen ouch neet in de hèl of niks. In den aovend zagte de minse zoë: "Kiek ze dao vlege". Dat zien roei glimwormkes, he. Die zien roêd, ich höb die dèk genog gezièn hiej. Dan zagte ze altied zoê: "Dat zien dwaallichtjes".
Onderwerp
SINSAG 0182 - Wiedergänger als Irrlicht   
Beschrijving
Dwaallichtjes waren de zieltjes van kinderen die niet gedoopt waren omdat ze dood ter wereld waren gekomen. Dwaallichtjes zweefden tussen de hemel en de hel. Ze zagen eruit als rode glimwormpjes.
Wanneer er een kindje geboren werd, doopte men het veiligheidshalve zelf. In de catechese staat immers geschreven dat iedereen mag dopen in tijden van nood.
Wanneer er een kindje geboren werd, doopte men het veiligheidshalve zelf. In de catechese staat immers geschreven dat iedereen mag dopen in tijden van nood.
Bron
J. Venken, Leuven, 1968
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
limburgs (maasvallei)
44
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Dilsen   

