Hoofdtekst
Een doodkeerse, da was een bete die uitgehold was, met een neuze en ogen in gesneden en met een brandende keerse in voor d’andere schuw te maken. Voor die neuze en die ogen staken ze dikkels een glazeke voor de wind. En ze waren daar al benauwd van. Ge zag da vroeger vele.
Beschrijving
Een doodkeers was een uitgeholde biet waarin men een neus en een mond had uitgesneden. In de biet zette men dan een brandende kaars om de mensen bang te maken.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (o van houtland)
50a
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ruddervoorde   
