Hoofdtekst
“Toveraar” schipper Jan.Ne schipper, Mijnheer Jan zo heette hijn, die viste mee ne knecht en dan zeet hij tege die knecht: “schel de petatte moar en zet ze doar moar op de plecht (voordek), ge mot ze nie opzetten.” En asse ginge ete dan ware ze gekookt. En diezelfde meneer Jan, die voer mee van die klein mosselschuiten en die hao alleen wind en al d’andere lage doodstil. Z’hadde hem een poets gebakke en ze zeen: “Oa petatte zijn kleer”, en hij beet erin, moar ’t ware peerdevijgen. Moar de volgende keer ging die visser die da gelapt aa, vissen en zij net zat vol peerdevijge.
Beschrijving
Een schipper sprak tot zijn knecht: “Schil de aardappelen maar en zet ze daar op het voordek. Je hoeft ze niet te koken”. Toen men ging eten, waren de aardappelen merkwaardig genoeg vanzelf gekookt.
Diezelfde tovenaar werd een keer het slachtoffer van een grapjas, die zei: “Eet maar, je aardappelen zijn klaar”. Het waren echter paardenvijgen. De visser die die grap had uitgehaald, stelde een tijdje later vast dat zijn net vol paardenvijgen zat.
Diezelfde tovenaar werd een keer het slachtoffer van een grapjas, die zei: “Eet maar, je aardappelen zijn klaar”. Het waren echter paardenvijgen. De visser die die grap had uitgehaald, stelde een tijdje later vast dat zijn net vol paardenvijgen zat.
Bron
H. Verherstraeten, Leuven, 1970
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (noordelijk waasland)
259
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kieldrecht   
