Hoofdtekst
Dat was ene, die kwam van Luik met kolen 's nach(t)s en op de zeven bonder zagter drie man(nen) a(ch)ter böum (= bomen) staan; wie of wa da allemaal was weet ich nie, mè doa was toch ene bij met ene gele pardessus. Weiter vodders (= toen hij verder) de zeven bonder door was, sprong enen hond, ene zwatte hond op hem uit. Die volgden hem wel ene meter of tien. In Riksingen he(ef)t er moeten van de kar afspringen en hij he(f)t met de smet (= zweep) op hem gehouwd. Toen waster blij at er van hem af was.
Beschrijving
Een man die 's nachts met kolen terugkwam van Luik, zag op de zeven bonder drie mannen achter een boom staan. Wat verderop sprong er een zwarte hond bij de man op de kar. In Riksingen sloeg de man met een zweep naar het dier, dat hem daarna met rust liet.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
3.1 Duivels
limburgs (tongeren en omstreken)
233
fabulaat
Een bonder was een landmaat die verschilde naargelang de streek. Eén bonder was gelijk aan 20 roeden. In Neerrepen (Tongeren) was één 'roei' gelijk aan 4,22 are.
Naam Locatie in Tekst
's Heerenelderen   
Plaats van Handelen
Luik   
Riksingen   
