Hoofdtekst
22 En toen waren ze ook bij een boer, daar waren ze aan de ‘jaarpele’ (= aardappelen) geweest. Vroeger moesten ze dat in grote zakken doen, hé, die ‘jaarpele’ en van de kar afdragen. En dan moest er ene helpen voor die (zak) op je nek te werpen, hé. Ja, en Cieles en Jan van Doane, ‘die verstonden zich niet met een’ (= die konden niet goed opschieten met elkaar). Cieles de weerwolf, pakte de zak en wierp hem zo op (z’n rug). "Ja," zei Jan van Doane, "dat kan ik ook." En hij ook zo. Toen hadden ze de kar leeggedragen, hé, en toen pakte Cieles zo’n ‘jaarpel’ in z’n hand, zo’n dikke ‘jaarpel’ en die pitste hij Jan van Doane zo in z’n gezicht en toen deed Jan van Doane dat ook, hé [lacht]. En zo vertelden ze wat van alles. Maar is dat waar? Ja, ik heb het ook niet gezien.I En die waren weerwolf?22 Ja, dat was de weerwolf, ja. Maar dat was ene van Hees, hé, Ciekes de weerwolf. Die was van Hees.
Beschrijving
Een man uit Hees die bij een boer de aardappelen ging rooien, was een weerwolf.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (groot-riemst)
22D 355
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Riemst   
Plaats van Handelen
Hees   
