Hoofdtekst
Aan de Honzebroekstrate weunde der vroeger ne vint Pieters Belle. En zijn wuuf Fiete koste toveren. En m’hadden miender (wij) een geete en een kleen kind. En o ze zij met schellen nor oes kwam, of nor een ander uit het gebuurte, ’t wos niemand die ze doste weigeren. Ze noamen ze an en goaven ze aan de geete niet en ze verbranden ze.En os ze vroeg hoe ist met ’t kindje zeiden ze: goed, goed en ze gingen der zeere met hunder rugge voren goan stoan, en ze goenk het niet zien wè! E Fiete zat doar dikkers te peinzen en ot heure vint zei: "Fiete" z’hoorde ’t niet. En je zei toen: z’is were weg met heure geest, z’is were aan ’t toveren.
Beschrijving
In Roeselare woonde een vrouw die kon toveren. Wanneer die vrouw ergens aardappelschillen voor de dieren kwam brengen, durfden de mensen de schillen niet te weigeren. Ze gaven ze echter niet aan de dieren, maar staken ze in brand. Die vrouw vroeg ook altijd hoe het met de kleine kinderen ging, maar de mensen wilden haar niet in de buurt van hun kinderen laten komen. Vaak zat de vrouw wezenloos voor zich uit te staren, wanneer haar geest ergens aan het toveren was.
Bron
H. Van Wassenhove, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (groot-roeselare)
190
memoraat
Naam Overig in Tekst
Pieters Belle
Fiete Belle
Fiete Belle
Naam Locatie in Tekst
Roeselare   
Plaats van Handelen
Roeselare   
