Hoofdtekst
Ik was zoewe een jaar of tien en mijn vader ging de varkenskotten mee hout vanonder make. Na ’t ete moest ‘k ik en mijn zuster oppasse veur de varkens da die nie weg liepe en we moeste ook ’t kot uitkere. Ineens was do een heerke mee een zwart kostuum en een zwart hoedje en hij zei tege mij "wil ik van die varkens eens hon’ make?" En ik weet da nog goe, ik was klein en ‘k begost te schreeuwe, ja joeng. Dieje ging bij ons binne en jo welle hadde al veul afgezien en mijn moeder zei dat da vanne kwade hand was. En ik zien dieje mens hoes dat hem een kaars aandoet en die veur ons vader zijn gezicht houdt. En hij vroeg aan ons vader - allee da vertelde ze dan later tege mij he - "hoes gaat het, he hebt veul afgezien he en hie is een beest kapot gegaan en uwe joeng is ziek geweest, wa denkte gij dovan?" Ons vader zei "nu is ’t toch veurbij". Ma da heerke wist da allemaal en da was zeker een heksenmeesterke of zoewe.
Beschrijving
Een meisje dat op de varkens moest passen, zag een heer met een zwart pak en een zwarte hoed aankomen. "Zal ik van die varkens eens honden maken?", vroeg het heertje. Daarop begon het meisje luid te schreeuwen. De heer ging naar binnen, hield een kaars voor het gezicht van de vader van het meisje en zei: "Jullie hebben hier al veel ongeluk gehad, hè. Er is een dier gestorven en je zoon is ziek geweest". Die heer wist dat allemaal zonder dat iemand het hem had verteld.
Bron
M. Vankerkhoven, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
antwerps (grensgebied kempen-hageland)
614
1891
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vorst   
