Hoofdtekst
Er was hier een vrouwmens hiernaast en ze had een geit. En die geit was in haar kelder gesprongen, en die geloofde veel aan toverij. Er lag daar nu een berd in de kelder. Die geit zat dus in de kelder en iedere keer als Wieske klapte zweeg die geit. En iedere keer als zij zweeg begon die geit op dat berd te trommelen. Maar zij had die geit daar niet zien inspringen. Er kwam daar een man met een bak bier. “Ga toch niet in de kelder”, zei ze, “er moet daar iets in de kelder zijn.” En als het alomkwam, was het die geit. Dat is vele jaren geleden. Ze meende dat het toverij was.
Beschrijving
In Sint-Blasius-Boekel woonde een vrouw die een geit had. De geit zat op een plank in de kelder. De geit trommelde de hele tijd op die plank. Wanneer de vrouw begon te praten, hield de geit zich stil. De vrouw had lange tijd niet geweten waardoor het geluid in haar kelder werd veroorzaakt. Ze geloofde dat het toverij was.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (zuiden)
98O
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Blasius-Boekel   
Plaats van Handelen
Sint-Blasius-Boekel   
