Hoofdtekst
10 B -Ja, nu gaan we een keer van kledden, want dat is ook ...II -Jaja, allemaal achtereen, laat maar komen!10 -Kledden, dat was ook, dat was met mijn vader. Daarmee kwam dat te pas dat hij te vrijen kwam naar Grotenberge, bij mijn moeder hier. Vrijen moet ge zeggen, ja, ‘t mag toch in de Zottegemse taal hé?II -Bah ja, ja!10 -Vrijen, ah ja, maar dat is toch een hele tijd van hier van Burst.II -Was uw vader van Burst?10 -Ja. Van Burst. Ja, nu is dat allemaal niets meer met een auto, met een velo, maar in die tijd konden de mensen niet per auto rijden, ze konden zelfs niet per velo rijden en ze deden dat veel te voet, ze deden dat allemaal te voet. En dat was bij hem ook een grote boerderij en hij kon maar naartoe komen alhier bij haar, na de zessen, maar dat was thuns(dan) ook nu zijn die horloges allemaal al een uur of tweeII -Met zomertijd?10 -Ja, maar thuns (toen) bestond dat niet. Dat was donker en dat was kleddendonker allez, en daarmee ging hij altijd de hof te zoeken voor de korste weg ja, langsheen de banen toen moest gij ver gaan al (langsheen) ‘t Vosken ‘t Oombergen, al de kerk te Hillegem, Borsbeke, Burst, maar zo’n een omweg! Hij pakte hij de korste baan (weg) dat hij in d’eerdebaan (aardweg) kwam hé, thuns (toen) waren de banen niet meer berijdbaar van niet, thuns (toen) reden de boeren dat kapot met hulder (hun) karren met hun ijzeren smalle wieltjes en met twee, drie paarden en beslagen. En hij ging aldaar te voet. Maar hij ôt (had) dat liggen zeggen tegen nog kameraden en zegt hij : “Maar Charles waar gaat gij te vrijen?” “Ah” zegt hij “ook te voet, gelijk alleman gaat.” “Jamaar dat zijn banen, ik zie ik nooit geen auto’s.” Daarmee ôt (had) hij zo al een beetje met een spelleke een baan zo al een beetje uitgestippeld dat ik aldaar ga, maar moore, moore, moore (modder)! II -In de winter, ah ja.10 -Ja. “Ah ja” zegt hij “ik doe ik mijn botten mee hé” zegt hij “en ik steek ze ginder in de boom, in een hol, in een tronk” en ik steek ik dat daar in voor als ik alhier ‘s avonds een vlaoge(vlaag) kreeg, dat ik tot daar ging voor weer aan te gaan. Maar ze ôn zeur (hadden zij) daar echte, hoe heten ze weeral, allez, die mannen die daar ...11 -Kleddens.10 -Kleddens, daarmee ôn (hadden) die kleddens hem afgewacht hé, totdat hij afkwam, ze zaten zij weg hé en ze hoorden zij hem afkomen hé in dienen trot (slijk)en met zijn klompen en als hij abij (bijna) voor heur (hen) was “Halt! Ik ben mijnheer de kledden en gij moet mij dragen!” Ons vader zijn haar ging omhoog, hij was voor te sterven hé. “Geen nog getreuzel, maakt u klaar”. “Ah, wat moet ik doen?” “Ah, u bukken.” En zeur (zij) zo met heur (hun) vuile voeten en hij ôt(had) een schone kostume (pak) aan waar dat hij mee kwam vrijen. En zeur (zij) een galop gepakt en hij stond hij daar gelijk een koe die haar bukte, met haar vuile botten ook hé daarop op zijn rug hé, allez, “ju!”(informant staat recht om te tonen hoe ze op zijn rug sprongen, wij lachen)II -Jamaar, ge moet dicht bij ‘t spel (bandopnemertje) blijven hé? Marcel.10 -Ah ja. (gelach) Hij moest moest hij hem bukken hé en zeur(zij) met een wip en ze zaten op zijn rug, “Ju” zeiden ze en thuns(dan) met heure (hun) voet, met heuren (hun) hiel ...I -Schoppen10 -gaven ze hem op zijn benen een duw dat hij moest zeerder (sneller) gaan en een nevenst met een zweep. Ja, dat was goed, hij kon hij dat ook allemaal niet lang houden hé, ge zoudt gij op den duur uw tong uitsteken van moedte (vermoeidheid). En altijd maar rapper, rapper en hij maar stappen hé jong, een beetje verder hé dat hij gelijk viel en ze stonden zij daarbij en als hij bekomen was, hem met tweeën vastegesnokt, hup, de zweep op en weer voorst(verder) en dat was tot op die plek waar dat het weer goed wierd. II -Jaja waar dat er geen moore (slijk) meer was.10 -Dat was tussen de huizen en waar dat er geen huizen stonden was dat wreed (erg) vuil; want als hij, als ze zeur (zij) op een zeker eind waren, begon de baan te verharden en stond er alhier en aldaar al een klein huisje; zegt hij “Dat ik daar geraakte hé, thuns zou ik al een keer meer roepen “’k en kan niet meer hé, dat de mensen zouden buitenkomen hé, maar dat bleef maar en dat bleef maar en tegen als hij daar kwam, dat was in ‘t omgeploegd land, kent ge dat?II -Ja, met voren (geulen)?10 -Ja, en thuns(dan) moest hij daar een keer of zes die plek om en ‘t were allez, hij was betaterd (besmeurd) gelijk ge kon ... betateren, dat was daarop geplakt met moore en trot (slijk en smurrie) en azo(nog) jong, die was dat. En kijk, zeggen ze, “Wanneer komt ge ‘t avond weer?”, “Ah, maar dat weet ik niet,” zegt hij, “wanneer dat ik ‘t avond weer passeer hé.” “Jamaar” zeggen ze, “luistert,’t avond, met ten (rond) elf uren, moet ge hier weer zijn.” Zegt hij in zijn eigen, “de zotten, ... moet ik mij niet haasten hé.”II -En dat was in ‘t gaan?10 -Ja, dat was in het alhier komen hé (de boerderij waar de informant nu woont, was het ouderlijk huis van zijn moeder). Maar thuns(toen) als hij naar huis ging, moest hij een uur zeggen, elf, peinsde hij ‘t is nu al zevenenhalf, rond den zevenen hé en zeur (zij) gingen blijven zitten daar, zegt hij tegen zijn eigen: “Dat zal niet waar zijn peins ik!” Maar hij ging thuns(dan), als hij een beetje verder kwam aan het harde, aan een huis hé, “hé, gotverdomme, mijnheer De Ezels, kom een keer alhier!” zei hij, “ik zal van heur (jullie) trip (bloedworst) maken, ik steek het mes al onder in uw buik en ik hef heur azo( u zo) omhoog!” zei hij. En ja, thuns (dan) was hij stouter (moediger) omdat hij in de huizen (in de buurt van huizen) geraakte hé. Maar ja, eer dat hij daar was voor een beetje te rusten, binst dat ze zij op hem zaten, binst dat hij dat moest dragen,zegt hij : “Maar jullie rieken precies naar paardenvlees, zijn jullie misschien slachters?” “Ja, ja.” en azo(zo) altijd kortaf , dat ze hem antwoordden, “Ja, ja, wij zijn de slachters van de paarden. Ju” en binst stampen ze op zijn been en hij maar voorst. En hij kwam hij hier te vrijen hé en ‘t was precies een moordenaar van de trot (hij was zozeer met slijk besmeurd dat hij wel een moordenaar leek). (gelach)Betaterd, en zegt hij : “Jamaar, kom een keer ‘t avond, zet heur(jullie) daar maar gereed, verwacht mij maar, maar ik zal mijn mes meehên (meehebben) !” zegt hij en ... Hij ging aldaar niet meer weer en thuns(toen) konden ze zeur(zij) hem niet meer hên (hebben) en moest hij niet meer dragen ook hé, maar hij is aldaar niet meer geweest, hij ôt hij zijn goeste (hij had er genoeg van).II -Hoeveel keer heeft hij dat voorgehad? Een keer?10 -Ene keer en ôt(had) hij gezwegen, geen ene keer.II -Ah, vaneigens.10 -Maar hij ôt (had) hij het wijsgemaakt aan de andere, en ge weet de die met een man of drie, d’er zaten er twee daar al weg, maar d’er konden d’er nog zijn, maar hij was hij nu ook precies die geweldige niet dat hij ze zou doodgedaan hên (hebben). Maar ja, stelt u nu een keer voor dat gij hier nu naartoe komt ... II -Als ze zo lang met uw voeten spelen ...10 -En thuns (dan) doen ze daar die plek een keer of drie dat ge teneinde van de asem (adem) zijt, dat was daar nog geen mens, trekt altijd om en ‘t were, en ook zorg dragen van zijn kleren, ah ja, hij wierd hij dat gewaar overal waar dat hij aanging en die vuilaards met hulder(hun) botten aan op hem wippen en hun handen aan hem afkuisen, dat was juist een mooreende (moeraseend) als hij hier toekwam en hij dost(durfde) hij azo niet binnenkomen hé, ah ja hij kwam hier nog niet te lange binnen.II -En hij heeft niet durven binnengaan?10 -En hij kwam hij niet binnen hij kon niet. Ôt (had) er hier nu een mens gezeten, zo’n een vent die daar is, zou mijn vader gezegd hebben “wat een voorbeeld hé.” Een andere mens en als hij ôt (had) die deur opengetrokken hên (hebben) en ze zouden daar enen gezien hên (hebben) allemaal in ‘t zwart van de trot, ze zouden hem doodgesmeten hên (hebben) hé. I -En was dat volk van hier die kleddens, die kwaad waren dat hij dat meisje ...10 -Hij heeft hij dat niet gekend hé, hij kende hij dat niet, maar dat was met hij dat te zeggen hé, dat hij alhier kwam te voet, maar de grote baan niet en deed.II -En was dat ook al de Pardassenhoek dat hij ...10 -Ja, nee, de Rijst.II -Ah ja, de Rijst.I -Waar is dat?II -De Leenstraat.10 -Ja, maar dat was verder, d’er stond daar geen één huis en dat was thuns azo(dan zo) al weerskanten bomen en een smalle gang waar dat de boeren met hun kar reden.II -Een holle weg zo dat ze zeggen?10 -Ja. Amaol (allemaal) trot en moore (modder). En mijnheer de kledden, vaneigens, dat waren geen kleddens voor te zeggen dat ze u gingen dooddoen zé, maar voor hem hem doen af te vangen hé.II -Dat waren d’er misschien van Grotenberge hier, met dat hij hier te vrijen kwam.10 -Ah bah ja, dat waren er die hem ook kenden.II -En die niet geiren ôn (graag hadden) dat hij hier te vrijen kwam misschien.10 -Wel, of azo (zo) iet ook.11 -Hoeveel jaren is dat niet lêen (geleden) nietwaar?10 -Ja, ... (enorm geroezemoes)II -Als ge op een andere gemeente ging gaan vrijen vroeger.10 -Kreeg ge nog een wafel mee hé! Hij deed hij dat ook.II -Maar in mijn tijd was dat gedaan hé.I -Ze gaven u een wat schoppen en ze zeiden en dat ge hier niet meer weer en komt hé.10 -Ja!II -En van die blaffeturen, hingen ze toen geen blaffeturen aan u dat ik horen zeggen heb van andere oude mensen hier? 10 -Wel ja.II -En dan ze met een wat schuppen onder uw hol hem laten vliegen met een blaffeture die ze ieverans el(anders) gepakt ôn (hadden).
Onderwerp
SINSAG 0252 - Plagegeist lässt sich tragen   
Beschrijving
Een man die per fiets naar zijn vriendin in Grotenberge reed, koos een binnenweg. De man had zijn vrienden verteld dat hij vaak langs die aardeweg ging omdat dat korter was. In een holle boomstronk had hij laarzen gestoken, omdat hij daar een stuk te voet door de modder moest gaan. Toen de man 's avonds op dat weggetje kwam, hoorde hij een stem roepen: "Halt, ik ben kledde en je moet mij dragen". De vriend droeg laarzen en sprong de man op de rug. De man werd de hele tijd in zijn zijden geschopt en moest alsmaar sneller lopen. Toen de man bijna bij het huis van zijn vriendin was, waren zijn mooie kleren helemaal besmeurd met modder. De grapjas sprong van zijn rug en vroeg hem om hoe laat hij zou terugkeren. "Om elf uur moet je hier weer zijn", zei kledde. Na dat voorval is de man nooit meer langs dat weggetje gegaan.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
10B
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Leeuwergem   
Plaats van Handelen
Grotenberge   
