Hoofdtekst
Mijn oedste zuster viel in convulschen en me gingen achtern dokteur Parret van Handzame. Mor dat hielp niet. ’t Wos e kartan thuzent enne zei: "De paster van Bovekerke is nogol dikkens e keer uuthaald voor zukke dingen. Wille’k ik er e keer achtergon?" En je spande ’t peerd in en je ging achter die paster nor Bovekerke. En die paster kwam eigentlik mee. En otten inkwam vroegten: "Wor ligt dat kind?" "Dor up de volte", zein ze. En je ging ollene nor boven. ’t Ging niemand mee. Enne wuk datten hij dor gedon éét, me weten dat niet, worschienlijk belezen. En vader zegt: "Menere, ‘k gon je nor huus voeren." "Neen", zeiten, "’k gon te voete" en je wilde niet bluven zitten. En vaneigen, otten hij weg wos, we gingen wieder gon kijken nor boven en ze zat zij dor te lachen up heur gatje in heur bedde. En ’t ee dor nooit niet meer aan geweest. Dat zijn dingen dat’k één weten gebeuren.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een meisje dat stuipen had, kon niet door de dokter worden geholpen. De knecht ging de pastoor van Bovekerke halen, die een tijdje alleen bleef met het meisje. Daarna stelde de vader van het meisje voor om de pastoor naar huis te brengen. De geestelijke weigerde echter en wilde te voet gaan. Toen men even later bij de dochter ging kijken, stelde men vast dat ze genezen was.
Bron
S. Top, Leuven, 1964S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (vrijbos)
231I
Zus van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Parret   
Naam Locatie in Tekst
Handzame   
Plaats van Handelen
Bovekerke   
