Hoofdtekst
O, ja’k, dat heb ik geweten daar juiste voren Claeyssens fabrieke. Mijn moeder mostge ne kleinen hebben binst dat ze daar lag stonden haar kloefen onder haar bedde. Almetnekeer hebben al haar kloefen rondgevlogen. Dat was toverij. En als vader naar ’t stadhuis ging en naar de kerke voor ’t aan te geven, ton heeft ’t volgende gebeurd. Als hij aan de beke kwam, kwam d’r ne waterduivel mee met vader tot aan d’eerste café. Hij had ne stok bij hem.
Beschrijving
Een vrouw die in het kraambed lag, zag haar klompen die ze onder het bed had gezet, door de lucht vliegen. Dat was toverij. Toen haar man naar het stadhuis en naar de kerk ging om de geboorte van het kind aan te geven, werd hij van aan de beek tot bij het eerste café gevolgd door een waterduivel.
Bron
W. Van Houcke, Leuven, 1970
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (houtland)
38
Ouders van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Veldegem   
