Hoofdtekst
To Isidorke Voorens (alvorens in Wingene) hân ze daar ook zulke koten, o j’ daar ’s navens entwadde instak, gink het dood. Ze gingen naar de paters en dedé zeien: "’t Kleinste beestje da j’ip ulder hof hèt, gaat sterven." In de zomer nu, ’t was noenestond (middagrust), en we zaten daar roend ne pit, vadre, Alidor en nog enigte en ’t zwom daar een aandeke (eendje) met enige kiekens en ’t zat daar een kakkernestje (pasgeboren kuikentje) bij. Amenekeer, verdroenk da beestje. En van ton of, hèt da daar gedaan geweest want ’t kleenste beestje ip ’t hof was dood.
Beschrijving
Op een boerderij in Wingene waren hokken waarin alle dieren in één nacht stierven. De paters kwamen ter plaatse en zeiden: "Het kleinste dier dat je op je boerderij hebt, zal sterven". Toen men in de zomer rond een put zat, zag men daar een eend en een eendenkuiken zwemmen. Plots verdronk het kuiken. Dat was het kleinste diertje op de boerderij.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (o van houtland)
242
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ruddervoorde   
Plaats van Handelen
Wingene   
