Hoofdtekst
Ich was nog in Mal, en doa kwam ene man mich roepen voor e kinderbed rond ha(l)f een 's nach(t)s. Onder de baan waster een tegengekomen met e koetske met en kind in liggen en die zei niks. He was wit wei ene dooie (= dode), weiter (= toen hij) bij mich aankwam. He had gelopen en zo wit as e hemme (= hemd) waster, zo had er hem verschrik(t). Hij vertelde - en he vertelt het nu nog altijd - dat het koetske zo terwjaas (= dwars) voor hem over de baan stond en doamet koster (= kon hij) nie door. Dat wijf was maar heel gewoon, mè ze had e voilke over haar. In Mal was dat, aan de Cabine, doa liggen op dattig, fjotig (= dertig,veertig) meter geen huis. Dat vertelt er nog altijd van die witte juffrouw met da koetske.
Onderwerp
SINSAG 0310A   
SINSAG 0310D   
Beschrijving
Een man die omstreeks half één 's nachts de vroedvrouw ging halen, kwam onderweg een vreemde vrouw tegen, die geen woord zei. De vrouw droeg een sluier over haar gezicht en ze had een kinderwagen bij zich, waarmee ze de man de weg versperde. De man was doodsbang en heeft zich snel uit de voeten gemaakt.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
51
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Mal   
