Hoofdtekst
Man moet naar Zoerle en komt in Westmeerbeek aan.Ik gon naar Zoel met een meiske mee naar huis. Daar waren veel draaikes. "Ja, zei ze, als ge denkt dat ge zult missen dan moet ge die weg pakken." Daar was een straat ook en ik zei: "Ik pak toch de straat maar." En ik kom aan de kerk in Westmeerbeek. Ik kende die kerk niet. Ik ging daar een café binnen: "Ik zijn toch niet hard juist. Die kerk ken ik niet. Ik moet in Zoel zijn." "Dat zullen we wel wijzen", zeiden ze daar. Twee kaarters gingen met mij mee. Welle maar klappen en doen. Van ver zag ik ze op de brug staan. Daar waren vier bandieten. Ikke de kant in en weg.
Beschrijving
Een man die terugkwam van een bezoek aan zijn vriendin in Zoerle, belandde bij de kerk in Westmeerbeek. Hij ging binnen in een café om de weg te vragen. Twee kaarters stonden op en wezen hem de weg.
Bron
B. Van Grieken, Leuven, 1965
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
antwerps (westerlo en omgeving)
177
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oevel   
Plaats van Handelen
Westmeerbeek   
Zoerle   
