Hoofdtekst
I Wat ze vroeger vertelden van … Ja, van veel ‘läöi’ heb ik al gehoord dat ze vroeger veel vertelden over de heksen.27 Ja! En van de weerwolf. En dan zaten wij hier te ‘striekke’ (= breien) hier binnen en dan kwamen die van hier tegenover, die vrouwkes en die man - die is dood, ja, hoeveel jaar is dat (geleden)? Ik ging nog, nee, ik ging niet meer …(onderbreking)27 En dan kwamen ze hier en dan vertelden die vrouwkes zo van alles en dan maakten ze je bang. "Je mag niet uitgaan buiten," zeiden ze dan. "Voor wat niet," zeiden wij dan. "Ja, daarvoor." Dat kon hier dat goed, dat wijfke hier tegenover. Kwam het eens hier, toen zei het zo: "Geloof je in heksen?" Ik zeg: "Nee, wat zit me die hier (nu te vragen)?" En toen had ze een laken omgehangen en toen kwam het (vrouwke) om. En dan hadden wij toch - ik weet niet meer wie het was, ik weet niet meer wie erbij was en die zei: "Dat is een echte heks." Ik zeg: "Dat geloof ik niet." Maar dat (vrouwke) was wat krom, dat ging zo’n beetje (krom). En ik bezag dat (vrouwke) z’n benen. En toen zegt ze: "Wat zie je?" Ik zeg - Nèske heette het - ik zeg: "Nèske, doe dat laken af." "Duivel dat je bent," zei het, "herken je me?!" [lacht] Toen had ik haar gezien, ik haar dan ook nog iets zeggen ook. Dat waren vroeger de avonden.
Beschrijving
Een vrouwtje had zich voor de grap met een laken over het hoofd verkleed om haar buurvrouw bang te maken.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (groot-riemst)
27A 409
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zichen-Zussen-Bolder   
