Hoofdtekst
Hier a(ch)ter woonden ene in een hol straat met zes, zeven hon(den). Hij sliep zelfs met hen in de nes(t). Boven op de bereg stonden zo kropwaien (= knotwilgen) met stiel(en) op en he ging stiel(en) halen op ene avond en opeens hoort er lachen a(ch)ter hem. En dat waren heksen, die waren aan 't da(n)sen in ene ring. He kigden (= keek) om en doabij vielter van de boom af, mè he had niks. En ze zaten hem doa maar uit te lachen en ze sloegen zo maar met hun haan (= handen) op hun knieën. He had zijn stiel(en) nie dore (= durven) metnemen! 's Anderendaags zag zje de ring nog bo de heksen gedaas (= gedanst) hadden! Zeker tien, twalef wareter het (= waren het er) gewees(t), zeiter, ene hele troemmel, kom!
Beschrijving
Een man ging op een berg takken van knotwilgen halen. Toen de man in de boom zat, hoorde hij plots gelach achter zich. Hij draaide zich om en zag dat wel tien of twaalf heksen hem zaten uit te lachen. Doordat hij zo geschrokken was, viel de man uit de boom. Hij was zo bang dat hij zijn takken niet durfde mee te nemen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (tongeren en omstreken)
579
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Lauw   
