Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MDREE0379_0379_2770 - Weerwolf wandelt met zijn meisje en verraadt zichzelf

Een sage (mondeling), 1967

Hoofdtekst

Dat was ene jong(en) en die was met zij(n) metske (= meisje) op gang. Wei het tijd was, moest er voertgaan, en he ze(g)t tegen zij(n) metske: 'ich kom seffens terug.' en he geef(t) haar zijne maalplag (= zakdoek) 'en as doa ene hond komt, zeiter, gooit zje het hem maar in zijn muil, dan kanter niks doen!' Toen kwam doa ene hond op het metsken uit, en het metske gooit die maalplag op hem, wei ze haar gezeg(d) hadden; en dien hond - dat was ene grote, ze! - begon dat heel kapot te scheuren. E beetsje ternoa kwam de jong(en) terug bij 't metske, en toen zag ze nog roi draadsjes tussen zijn taan (= tanden) hangen in zijne mond. Toen zjigde ze hem op (= stuurde ze hem weg), ze begeerde hem niemee omdat ze wis(t), dat he ene weerwolef was.

Onderwerp

SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.    SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   

Beschrijving

Een jongen die met zijn vriendin ging wandelen, zei onderweg: "Ga maar verder. Ik moet even een boodschap doen." De jongen gaf zijn vriendin een zakdoek en zei: "Als je een grote hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil". Wat verderop kwam het meisje inderdaad een hond tegen. Ze gooide de rode zakdoek naar het dier. Toen haar vriend terugkwam, zag het meisje dat hij de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had. Het meisje wilde de jongen nooit meer zien.

Bron

M. Dreezen, Leuven, 1967

Commentaar

1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1016
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Vreren    Vreren