Hoofdtekst
Nein mè, as zje kalt (= spreekt) van overlezen! ich heb dat ene keer metgemaak(t), non-de-dzju nog nie! O(n)ze 'Dzjef', en dat was alle keren knap om twalef uren 's nach(t)s, hein! dan begon die mich te kièke (= schreeuwen), ofter (= of hij) lopen kon, weet ich nie - ich geloof nie at er kon lopen - mè at ich van e huis voertging met hem, de wei in - de küj (= koeien) liepen in e wei, wwor! - 'hoesj, hoesj, hoesj!...' dan waster wei (= was hij als) Jan-ter-duvel. Ging ich terug uit, dan begooster (= begon hij) weer te kièke, dan kon ich terugdraaien! Ja mè!... dat had nu al twee, drie dagen geduurd... twee dagen... 's nach(t)s... en 't was alle keren knap, hein! Ich zeg 'non-de, non-de-dzjoew! dan zoo (= dan zoudt ge) nu zeggen!' Ich weet nie wa dat gewees(t) is, mè hij ging dat wijd brengen, ze!... at dat duren bleef, ja!... Ich kon alle nachten uit mij(n) bed op en ich kon de wei indraaien, kik! met den heer op mijnen ärem! En as ich dan in e wei was, dan hoorde zje hem nie; oijoij! dan gingter aan e küj (= koeien) jagen, wei e kind is, wor! oijoij!... Potferdikke-nog-nie! ich zeg 'nu is het gedaan! nu mörege vroeg noa de paters toe!' En we gingen hem ene keer laten overlezen, wor! He trok hem ineen wei een karkol (= caracole), en we hebben nooit niks mee(r) gehoord. Kik dan ene keer!
Beschrijving
Een moeder had een zoontje dat altijd om middernacht begon te huilen. Het kind hield pas op met huilen wanneer de vrouw met haar kind naar de koeien in de weide ging. Nadat de paters het kind hadden overlezen, gedroeg het zich weer normaal.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (tongeren en omstreken)
R95
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Rutten   
