Hoofdtekst
Jà, ik ben van Opoeteren en wij zaten daar ergens bijeen. Ja, en ik kom daarlangs, en nu komt daar ene man binnengevallen, ene jonge gast, ja, wie oud, in dien tijd… dat ben ik al vergeten, "Meneer", zèit-em, ze zitten achter mij." Ja nu waren dat heksen! Ja, doodeenvoudig, "hoe is da gekomen?" Allé, wij gaan ‘ne keer zien! Ze waren met … met zessen voor te kaarten daar hé, nee met zijn vijven, ik was d’rbij, was zes, (…) ja, allé wij gaan mee. Maar dan hebt ge, als ge in Opoeteren zijt in de Leu, dan hebt ge ene berg die een beetje opgaat, en dan komde in de Neeroeterse bossen, tot Opitter, da’s maar ene bos (…) en, hier was het" zei hij: "Hewel, nou loop nog ene keer", "ja, ich hoor het nog" zei hij. Nou weet ik niet wie dat dat was, maar … maar gij zult niet rajen wat dat het was! Dat was zijn broek vanonder was vastgevroren, en die flotsten tegen malkander, zjust aan de zelfkant, en hij meende dat ene achter hem liep! En het was datte, en dat waren ook heksen!
Beschrijving
Een jongeman kwam in Opoeteren aangelopen met de woorden: "Meneer, meneer, er zitten heksen achter mij aan!" Vijf mannen die samen wilden kaarten, gingen met de jongen mee tot in de bossen van Neeroeteren. De jongeman hoorde nog steeds het angstaanjagende geluid wanneer hij liep. Het geluid werd veroorzaakt door de wrijving van de broekspijpen die aan elkaar waren gevroren!
Bron
P. Knabben, Leuven, 1970
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (maasvallei)
N/XIV/559
memoraat
Bandopname
Naam Locatie in Tekst
Neerharen   
Plaats van Handelen
Opoeteren   
Neeroeteren   
