Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

WACHT0420_0423_3927 - Het verhaal van "Sterk Herm"

Een sage (mondeling), 1971

Hoofdtekst

Hier in Diepenbeek daar woonde zo een oude vrouw, Stom Brien, die had een bastaardkind en die vrouw begon oud te worden en die jongen was in de twintig jaar en toen zei de vrouw tegen de jong: 'Ik ga niet meer rond voor de kost. Gij moet maar zelf werken gaan.' 'Dat is goed', zei de jongen, 'maar waar heb ik werk?' 'Daar zal ik voor zorgen', zei de moeder. 'Ik zal in de molen vragen gaan' En ja, hij mocht 's anderendaags komen. Maar Hermes was een rare kadee. Hij had lang geslapen en toen ging hij naar de molen toe en toen vroeg hij aan de vrouw wat hij moest doen. 'Ja, ze zijn de bos in', zei de vrouw. 'Maar hebt gij de koffie op?' 'Ja, ik heb thuis een beetje gegeten', zei hij, 'maar ik kan toch nog wel wat eten', zei hij. Hij zette hem aan tafel en de vrouw die haalde brood op en kaas en boter en vet en Hermes zette hem aan en die at dat brood met smaak op. De vrouw had dat gezien en die zei: 'Hermes, hebt gij wel genoeg?' 'Ik kon nog zo'n mop eten', zei Hermes en de vrouw haalde nog zo'n mop en die at hij weer op en zo at Hermes zeven moppen op en toen zei hij tegen de vrouw: 'Wat moet ik nu doen', zei hij. 'Ja', zei de bazin, 'de mannen zijn de bos in bomen halen en daar staat nog een paard en nog een kar. Span maar in en rij maar na. Gij weet wel waar het is.' 'Ja', zei hij, 'ik weet het goed.' En Hermes reed de bos in en daar waren die mannen aan het sukkelen en aan het bomen laden - dat gaat niet gemakkelijk - . En Hermes zag dat gesukkel en die nam een boompje onder zijn arm en trok het uit en gooide het op de kar en reed aan (weg). Hij liet de mannen zitten hè. Toen moest hij door een straatje en toen dacht Hermes: nu gaan we lachen en die scheet het hele straatje vol en hij reed terug. En toen zei de vrouw: 'Die het laatste weggingen, zijn het eerste terug. Hoe kan dat?' 'Tja', zei Hermes, 'ze waren daar aan het sukkelen en aan het klommelen en ik heb maar geladen en ik ben aangegaan', zei hij. Maar hij zei niet wat hij in het straatje gedaan had. Maar toen kwamen die anderen thuis en die zeiden: Ochgod, ochgod! Daar hebben we afgezien. Het hele straatje was niks dan stront en we hebben ons heel getuig moeten afwassen', zegden ze. Ja, toen wat noen gegeten en toen zouden ze dorsen gaan en toen begonnen ze met de vlegel te werken gelijk gij dat ook gekend hebt. Dat gooide Hermes wel. Hij sprong van de kar en zei: 'Gooi maar af!' Elke keer als daar een schoof kwam, houwde Hermes hem tegen zijn kop en dan was hij gedorsen. Maar toen zegden die mannen die daar werkten, de knechten zegden tegen de baas: 'Als ge niet maakt dat die man weg is, dan blijven wij hier niet meer.' Ja, die baas wist ook geen raad. 'We zullen zeggen', zei hij, 'dat de vrouw haar gouden ring in de put ligt en dat hij die daar moet uithalen en dan draaien we een molensteen af en we gooien hem rond zijn hals, dan is hij kapot', zegden ze. Zo gezegd, zo gedaan. Maar Hermes de put in en die anderen de molensteen bijgehaald en die gooiden ze hem die in zijn hals en dat ging krek door zijn kop met dat gat er in, wor. Toen had hij de molensteen in zijn schouders hangen en Hermes kwam uit de put gekropen. 'Nu zie ik dat ik hier niet welkom ben', zei hij. 'Nu stap ik het af', zei hij. Ja, toen wisten ze geen raad. Toen gingen ze de burgemeeter vragen of die geen raad wist. 'Ja', zegt de burgemeester, 'ik zal hem wel krijgen', zei hij. 'Ik zal zeggen', zei hij, 'hij moet een weddingschap maken dat hij de vrouw haar ring niet kan vastkrijgen terwijl ik in de vrouw haar bed lig en als hij durft aan de venster komen, schiet ik hem dood', zei hij. En Hermes wist dat en die maakte een strooien man en tussen twaalf en een uur 's nachts moest hij komen. En die klopte op de venster en die hield die strooien man voor de venster en de burgemeester die schoot. En daarbij was Hermes weg, wor, en hij pakte de strooien man mee anders kon de burgemeester hem ergens vinden. En de burgemeester kwam uit en die ging zoeken en Hermes loerde hem uit en die ging terwijl in naar de vrouw toe. 'Geef mij die ring', zei hij tegen de vrouw, 'want Hermes kon komen.' De burgemeester had alles afgezocht, hij kon niemand vinden. Toen kwam hij terug naar de vrouw en toen zei hij: 'Hebt ge uwe ring nog?' 'Wat zou ik mijn ring nog hebben', zei die en die was kwaad, 'ik heb hem u daarjuist toch gegeven.' Maar Hermes had hem weg! Toen moest hij een brood uit de oven halen terwijl twee gendarmen aan de deur stonden. Hermes ging een gat maken en kroop aan de achterkant in de oven. Zo gezegd, zo gedaan. 's Morgens gingen ze kijken en ze vroegen aan de gendarmen: 'Is er iemand hier geweest?' 'Daar is niemand hier geweest', zegden de mannen. En toen Hermes binnenkwam: 'Ge hebt uw dingen verspeeld', zegden ze, 'uw belofte.' 'Haal dan eens het brood uit', zei hij. En toen het brood uithalen en het laatste brood dat ze hadden, daar was een gat in, en dat was uitgegeten, het binnenste, en het binnenste volgescheten. Toen moest hij een paard stelen, terwijl één erop zat en twee de wacht hielden aan de deur. Hermes verkleedde hem als een arme bedelaar, een korf in zijn arm en een stok en hij komt 's nachts bij die mannen door. 'Dè, wat zit gij dan hier?' 'Ja, Hermes moet een paard hier stelen', zegden ze, 'terwijl dat wij langs de deur zitten en een erop zit.' 'Dat kan Hermes niet', zei hij. 'Ik heb vandaag een goeie ronde gemaakt', zei hij. ' Ik heb wat geld gekregen en ik heb ook flessen schnaps gekregen', zei hij. 'Hebt ge goesting voor een borrel?' 'Ja, dat zouden we wel willen.' En die op het paard zat, die moest ook hebben en ze dronken met hun drie die twee flessen schnaps op en toen waren ze zat en ze vielen in slaap en ene die aan de deur zat, zette hij terug en de andere zette hij ook wat terug dat het paard doorkon en die op het paard zat , die zette hij op een balk en toen ging hij aan het paard. Hermes was weer gewonnen. Toen moest hij een koe stelen terwijl dat één ze vasthad en een andere ze leidde. Die moesten door een bos gaan en ja, dat kon Hermes niet. Hermes die kwam die mannen tegen met de koe, in het midden van de bos en toen zei hij: 'Ik ben daar door de bos gekomen, daarginds aan de andere zij', zei hij. 'En daar heeft ene hem opgehangen. Kom daar eens kijken', zei hij. 'Jamaar, wat moeten we doen met de koe?' 'Bind ze aan een boom', zei hij. En terwijl liep Hermes een beetje met hun mee om te zeggen: 'Ik ga ook mee', en die ging terug en die snapte de koe vast en Hermes was weer gewonnen. En toen kwam daar een varken met een lange snuit en de sage is uit. Dat is zomaar een vertelselke dat ik vroeger thuis van een knecht gehoord heb.

Beschrijving

In Diepenbeek woonde een vrouw met de naam Brien S. Toen de vrouw oud begon te worden, wilde ze dat haar onwettige zoon Hermes zelf in zijn levensonderhoud zou voorzien. De vrouw bezorgde de jongen werk bij een molenaar in de buurt. Hermes had echter te lang geslapen, waardoor iedereen al vertrokken was toen hij bij de molen aankwam. De molenaarsvrouw zette de jongen een stevig ontbijt voor en legde uit dat de mannen al naar het bos waren. Hermes schranste tot hij niet meer kon, en vertrok vervolgens naar het bos. Toen hij zag dat de mannen problemen hadden met het laden van een boomstam, nam hij met één arm de boom vast, legde die op zijn kar en reed alleen terug. Op de terugweg deed hij voor de grap zijn behoefte midden op het pad. "Hoe kan dat nu? Je bent als laatste vertrokken en nu kom je als eerste terug!", zei de molenaarsvrouw. Een tijdje later kwamen de andere mannen thuis en zeiden: "Och God, och God, we hebben al ons gereedschap moeten afwassen, want de hele straat lag vol uitwerpselen!" Na het eten gingen de knechten naar het veld om het graan te dorsen. Hermes maakte ook daar weer gebruik van zijn toverkunsten; hij moest het graan maar even aanraken, of het werk was al gedaan. De andere knechten waren het echter beu en spraken tot hun baas: "Als die man hier niet weggaat, dan blijven wij hier niet werken!" De baas wist aanvankelijk geen raad, maar sprak na een tijdje: "We zullen Hermes wijsmaken dat de gouden ring van mijn vrouw in de waterput ligt. Wanneer hij de ring gaat halen, zullen we de molensteen laten zakken. Dan zal hij wel dood zijn". Zo gezegd, zo gedaan. Merkwaardig genoeg kroop Hermes uit de put met de molensteen op zijn schouders. Zodra hij boven was, sprak hij: "Nu weet ik dat ik hier niet welkom ben. Ik ga hier weg". De molenaar en de knechten waren echter niet tevreden met deze afloop van de zaak en ze gingen bij de burgemeester te rade. Die sprak: "Ik zal hem wel krijgen! We zullen met hem een weddenschap sluiten dat hij de ring van de molenaarsvrouw niet kan bemachtigen terwijl ik in haar bed lig. Als hij dan bij het venster komt, schiet ik hem dood". Hermes wist echter welk plan de burgemeester had bekokstoofd en hij maakte een man van stro. Tussen twaalf en één uur tikte Hermes met de strooien man op het raam. De burgemeester schoot op de strooien man, waarna Hermes zich snel uit de voeten maakte. Even later ging de burgemeester naar Hermes op zoek. Ondertussen ging Hermes in het donker naar de vrouw en zei: "Geef mij die ring maar, want Hermes zou kunnen komen". Toen de burgemeester overal tevergeefs had gezocht, ging hij terug naar de vrouw en vroeg: "Heb je je ring nog?", waarop de vrouw geërgerd antwoordde: "Hoe zou ik mijn ring nu nog kunnen hebben! Ik heb hem daarnet toch aan jou gegeven!"
Hermes moest het brood uit de oven halen terwijl er twee politiemannen aan de deur stonden. Daarop kroop Hermes langs de achterkant in de oven, maakte een gat in het brood en deed er zijn behoefte in.
Hermes moest een paard stelen terwijl twee wachters bij de deur stonden en één op de rug van het dier zat. Hermes verkleedde zich als een arme bedelaar en sprak tot de wachters: "Ik heb vandaag veel geld gekregen, en ik heb zelfs enkele flessen schnaps kunnen bemachtigen. Hebben jullie geen zin in een borrel?" Nadat de verklede Hermes de mannen dronken had gevoerd, kon hij het paard moeiteloos meenemen.
Hermes moest een koe stelen terwijl twee mannen het dier met een touw leidden. De mannen gingen met de koe door het bos en kwamen daar Hermes tegen, die sprak: "Hé, aan de andere kant van het bos heeft iemand zich opgehangen! Komen jullie snel mee? Jullie kunnen de koe aan een boom binden". Hermes liep een stukje met de mannen mee en ging dan snel terug om de koe te halen.

Bron

W. Achten, Leuven, 1971

Commentaar

6. Sagen - Sprookjes
midden-limburgs
S1
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Brien S.    Brien S.   

Hermes    Hermes   

Naam Locatie in Tekst

Diepenbeek    Diepenbeek   

Plaats van Handelen

Diepenbeek    Diepenbeek