Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LDEWI0277_0278_42807

Een sage (mondeling), 1956

Hoofdtekst

Duivel komt op bezoek in mensengedaante.Bij 's Graves Neleke, dat was daar altijd een historie en vloeken en miljardes en lawaai. Trees en Lowis dat waren de dochters en die hadden ruzie gemaakt. Ze hadden een vogelke, en de een had het vogelke gepakt en de ander het kotteke. En ze stonden nu dat kotteke uit mekanders armen te trekken en terwijl maar aan 't vloeken dat het een goede gang gaf. "En 'k geef het niet af," zei Lowis, "al moest den duvel me weghalen." En die ouders stonden daar bij, maar ja, die hadden niks te zeggen. 's Avonds om tien uren, ze lagen alle twee in 't bed, wordt er aan de deur geklopt, en de moeder, dat was al een oude pèt, die doet open. Daar stond ene in de deur in een pitteleer met een staart en paardenvoeten. 'Waar zijn de dochters?' vroeg hij. 'Die zijn in hun bed', zei de moeder. 'Ga ze halen', antwoordde hij en hij kwam in huis en dan zag die pèt maar eerst dat het een duivel was in mensengedaante. Die meiskes kwamen uit hun bed en als ze op de trap kwamen van de kellekamer en ze zagen den duivel, dan ging er ineens een rilling door hun lijf en ze bleven helemaal stijf op de kelletrap staan. Hij heeft niets meer gezeid en heeft zich omgekeerd en is weggegaan. Maar die meiskes stonden nog altijd stijf op den trap en ze konden zich niet bougeren. Dan is de moeder, dat oud mens, 's nachts naar de pastoor gegaan en die is meegekomen en heeft er heel de nacht bij gebeden. En 's morgen konden ze terug bewegen en dan is heel de familie moeten meegaan naar de kerk en dan hebben ze allemaal moeten biechten en communiceren omdat de betovering helegaar zou gebroken zijn.

Onderwerp

SINSAG 0917 - Teufel (in Tiergestalt) erschreckt Sünder (Fluchende, Holzdiebe, Sonntagsschänder oder Spötter).    SINSAG 0917 - Teufel (in Tiergestalt) erschreckt Sünder (Fluchende, Holzdiebe, Sonntagsschänder oder Spötter).   

Beschrijving

In een huis waar altijd veel werd gevloekt, hadden de twee dochters ruzie. De ene dochter hield het vogeltje vast en de andere het kooitje. Terwijl ze vochten om het kooitje, vloekten ze verschrikkelijk. Toen de dochters 's avonds om tien uur in hun bed lagen, werd er aangeklopt. De moeder deed open en zag een heer staan, die een slipjas droeg en paardenpoten had. De heer vroeg: "Waar zijn de dochters?", waarop de moeder antwoordde: "Die liggen in hun bed". De heer gebood de moeder haar dochters te gaan halen. Pas toen de heer was binnengekomen, realiseerde de moeder zich dat de duivel in hoogsteigen persoon voor haar stond. De dochters kwamen langs de keldertrap naar boven en rilden bij het zien van de duivel. De heer heeft zich stilzwijgend omgedraaid en is weggegaan. De meisjes konden niet meer bewegen, waardoor hun moeder 's nachts naar de pastoor ging. De geestelijke kwam ter plaatse en bleef de hele nacht bidden bij de dochters. De volgende ochtend konden ze opnieuw bewegen en moest de hele familie naar de kerk gaan. Daar moest iedereen biechten en te communie gaan om de betovering volledig te verbreken.

Bron

L. De Wit, Leuven, 1956

Commentaar

3.1 Duivels
antwerps (mechelen en omgeving)
357
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Muizen    Muizen