Hoofdtekst
Oh ja. Ok naar de schole ginge, blauwdigek (spijbelde ik) ne keer de schole. En ‘k had in de vaart gezeten en ‘k en dorste naar huis nie gaan omdak mesnat (doornat) ware. Ja man, ‘k ware tsokke nat. En ’t was ak avond en voor ons huis stond er nen bokkeboom (beuk) en ‘k stonnek d’eronder. En al met een keer ‘k hoordige wat lopen op strate mee een keten en reutelen en doen, jong. En ‘k liepe naar huis en ‘k kloptige op de deure en ‘k zegge: "Dat was nen hond mee een keten en dat was voorzeker de waterduvle."
Beschrijving
Een jongen spijbelde op een dag omdat hij in de vaart was beland en kleddernat was. De jongen durfde met zijn natte kleren niet naar huis te gaan en stond 's avonds nog onder een beukenboom bij zijn huis. Plots hoorde de jongen een ketting rammelen. Even later werd er op de deur geklopt. Dat was zeker de waterduivel in de gedaante van een hond.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
109
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Oedelem   
