Hoofdtekst
’t Was in de tijd van de schoolstrijd en de politieke ruzie tussen liberalen en katolieken was van de stad naar de kleine gemeenten overgeslegen. De paster van Slijpe kwam azo in een huisgezin, boeremensen, waar dat er een jongen in Plechtige Kommunieouderdom niet naar Slijpe naar ’t schole ging, maar naar Middelkerke. En de paster vroeg aan de boerinne: “Waarom ga j’n jongen hier naar ’t schole nie?” - En die vrouwe antwoordde: “’t En ga je nie an!” Ze stond met een klein kind op haar arm en als de paster dat nog een keer vroeg, zei ze aan haar kind: “Zeg dat ’t hem nie aangaat en spuug (spuw) in ze gezichte.” Zo de paster was voortgegaan en je (hij) zagter meer dan kwaad uit. Op zekere dag stond de paster aan de Driewege in Slijpe te wachten as de jongen van ’t schole kwam. En als ten hem tewege voorbij ging vroeg ten: “Waarom ga je naar Slijpe naar ’t schole nie?” “’t En ga je nie aan!” zei die jongen. Maar voor die jongen zijn straffe stond er daar al met eens een kortewagen, en de paster kroop daarop, en hij woog bij de honderd kilo en de jongen moest hem voeren. En voor een jongen die zijn Plechtige Kommunie nog niet gedaan had, was dat zwaar werk, hij zweette lijk een das, zo’n zware vent moeten voeren. En je (hij) moest, willen of niet. En aan de pastorie, al met een keer de paster en de kortewagen waren weg en hij stond daar allene. En hij ging naar zijn huis en hij vertelde ’t al aan zijn moeder. Een dag of twee nadien, de paster was daar were, van deze keer in under (hun) huis. De jongen zei tegen z’n moeder: “Kijkt een keer, de paster is daar were.” Maar de moeder had wel te kijken, ze zag hem niet. De jongen wierd met daar tussen de sporten van de stoelen gesleurd, een hele tijd lang, en je kwam er weer uit en j’had geen letsel. Zo daarmee was ’t nog een keer gedaan, maar een dag of twee nadien de paster was were present. Achter dat huis liep er een leigje van de Rattevalle naar Mannekensvere. En de paster smeet hem in ’t water tot aan zijn nekke, juiste met z’n kop zat hij nog boven. Zo, die moeder had geweldig veschoten van al dat geweld, en omdat hij in ’t water lag, zij smeet een touwe, maar ’t was geen avance. Ze liep toen naar de Rattevalle achter vier kloeke mannen. ’t Waren Jules B., Jeroom B., Miel D., en Kobe R., vier hele sterke mannen en ze smeten touwen rond hem, en ze moesten ze rond hem leggen want hij kon niet bewegen en ze moesten ferm trekken om hem er uit te trekken. Als dat gedaan was, de jongen ging naar binnen, je (hij) was ziek van alteratie. Intussentijd, een beetje nadien, z’n eerste Kommunie naderde zère (vlug), zijn moeder ging mee naar Middelkerke om daar een keer te klappen aan de paster, al was ’t datten daar naar de liberale schole ging. En de paster zei: “Horkt een keer hier, vrouwe, me gaan een keer rechtuit (dadelijk) inlichtingen vragen aan den bisschop en asten seffens kan gevormd worden, je (hij) gaat hij genezen zijn. Zo de tijd kwam van de vorminge, veertien dagen later. De jongen geraakte in Middelkerke, want had de paster gezeid, je moet er geraken voor dat de paster je kan tegenhouden. En je wierd gevormd en achter z’n vorminge heeft hij nooit meer tegengekomen. Pertangs ’t was een beetje door under (hun) schuld dat ze zovele tegenkwamen. Want als de zwijns gejongd hadden, die zwijntjes waren zo zwart als ’t gat van de moor en dat groeide noch bloeide. Under (hun) muilezel kreveerde en de koeiebeesten wilden ook niet mee. In de gemeente wist er niemand waarom dat ze zo tegen de paster waren. En als t’er iemand later aan die jongen over die gebeurtenissen klapte, zeiten altijd: “Alles is effen, me (we) gaan daarvan zwijgen.”