Hoofdtekst
’t Stond daar ne meulen en ’t zat ’n lucht up. De zeune kam ’t an zijn vader zeggen en vader zei: "Ja, jongen, ‘k gaan derachter winken." En os ’t ie gewonken had, de lucht kam zere, zere gevlogen en buuste up de deure. "Ga nu maar de meulen gaan ontzeilen", zei de vadere. "Ja, maar, ‘k hên ik benauwd, wè", zei die zeune. En ie moste van zijn vadere ’n mes met den ichte (hecht) in de grond steken en met de lemme (lemmer) omhoge, omda ’t kwaad zoudt ip da mes vallen. En sedert toene was diene lucht weg.
Beschrijving
In Zandvoorde stond een molen waarop een lichtje zat. Toen de zoon dat aan zijn vader had verteld, zei deze: "Ja, jongen, ik ga naar het lichtje wenken". Zodra de vader had gewenkt, kwam het lichtje aangevlogen en botste tegen de deur. "Ga nu de molen maar ontzeilen", zei de vader. Omdat de jongen bang was, kreeg hij van zijn vader de raad om een mes met het heft in de grond te steken. het kwaad zou dan op het lemmet van dat mes vallen.
Daarna heeft men het lichtje niet meer gezien.
Daarna heeft men het lichtje niet meer gezien.
Bron
G. Speecke, Leuven, 1959
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (menen en omstreken)
29
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zandvoorde   
Plaats van Handelen
Zandvoorde   
