Hoofdtekst
En Patjakke, hij wunde allene met zijn moeder, in een wiejge (weideke) en hij kwam alle navende naar de plaatse gedoold, en hij kwam naar de winkel en hij hoeng daar aan de deure en hij zei ossan: “Ja, ‘k gaan moeten naar huis gaan want ’t zou kunnen spoken”. En ze zeien een keer onder mekaar: “Me gaan wieder een keer spoken”, om er vanaf te zijn. ’t Was hier een bakkersknecht, en ’s navonds daarop z’hielden Patjakke hier bezig en ondertusschen zieder gingen vors. Nu, Patjakke ging naar huis en als hij aan de bollaards (wilgen) kwam, ommekeer ’t begunde daar een te spoken, dat was mijn vader, die daar was met een laken rond hem en een indelijk grote bakkerskool in zijn mond, en hoe meer dat hij blaasde, hoe meer dat die bakkerskool bron (brandde) en Patjakke zette het op een lopen en hij gebaarde van niet.’s Anderendaags hij kwam were en z’hielden hem bezig. “Ja maar”, zei’n, “’k ga mij niet meer bezig houden, ’t spookt daar bij Lanotes”. En zij hebben nooit meer geen last ervan gehad.
Beschrijving
In Haringe woonde een tovenaar bij zijn moeder. Telkens wanneer de tovenaar 's avonds naar huis kwam, bleef hij lange tijd staan praten in een naburige winkel. De tovenaar zei dan vaak: "Ik zou naar huis moeten gaan, want het zou kunnen spoken". Op een dag besloot een knecht zich als spook te verkleden om de tovenaar bang te maken. Toen de tovenaar bij de wilgen kwam, zag hij een figuur met een laken om zich heen en een brandende kool in zijn hand. Na die gebeurtenis is de tovenaar op zijn weg naar huis nooit meer zo lang in de winkel gebleven.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (franse grens)
370
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Haringe   
Plaats van Handelen
Haringe   
