Hoofdtekst
29 En dan vertelden ze ook: daar was een meisje, een meid, dat in Hees woonde ergens op een boerderij. En dat was een heks, dan, maar dat wist niemand. En daar ging alle jaren een paard kapot en ze wisten maar niet wat dat was. En een stukje van het haar van de staart, dat stak ergens onder een ‘dolper’ (= dorpel) in. En het jaar erop ging al maar weer een paard kapot. En dat was die heks, dat meisje wat daar woonde, die meid dan. Dat was een heks. En ten langen leste waren ze daarachter gekomen. Ja, wat daarna allemaal gebeurd is, dat weet ik niet.31 Maar hier had je ook zo’n plaats waar alle jaren een paard kapot ging, dat was bij Cajeus in Val. Alle jaren opnieuw, alle jaren een ander paard.X Dan betichtten ze een heks en dan moest die heks de brandstapel op, moest ze verbrand worden.29 En zo, ja. Maar dat vertelden die heel oude ‘läöi’ allemaal, maar nu hoor je dat niet meer.28 Daar hoor je niet meer van ‘kalle’ nu; dat is allemaal van heel oude ‘läöi’. Want mijn grootvader die was tweeëntachtig jaar, die is in ’23 gestorven. Zodus, dat is allemaal lang geleden, hé.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Op een boerderij in Hees werkte een meid die een heks was. Die meid zorgde ervoor dat er ieder jaar een paard stierf. Een stukje van het haar van de staart stak onder de dorpel. Uiteindelijk is men er toch achter gekomen dat de meid de paarden deed sterven. Op een boerderij in Val was hetzelfde gebeurd.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (groot-riemst)
28I 433
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vlijtingen   
Plaats van Handelen
Hees   
Val   
