Hoofdtekst
Twee gebroers gingen altijd 's avonds bij hun geburen zitten en elke keer als ze weggingen en als ze terugkwamen, lag daar een grote zwarte hond voor hun deur, maar hij deed hen niets. Hij had een 'ketel' aan. Als de 'ketelhond' of de weerwolf u iets wou doen, dan moest ge een rooi 'moalslat' in zijn muil gooien. 's Morgens vonden ze die dan helemaal kapot gebeten en vol bloed op de straat.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
SINSAG 0883 - Teufel als Hund; hält Sünder Gesellschaft.   
Beschrijving
Twee broers gingen 's avonds altijd naar hun buren. Telkens wanneer ze terugkwamen, lag er een grote zwarte hond voor hun deur. Het dier droeg een ketting om zijn hals, maar het deed niemand kwaad.
Als men werd aangevallen door een weerwolf in de gedaante van een hond, moest men een zakdoek naar de muil van het dier gooien. De weerwolf zou de zakdoek dan helemaal uiteenrafelen.
Als men werd aangevallen door een weerwolf in de gedaante van een hond, moest men een zakdoek naar de muil van het dier gooien. De weerwolf zou de zakdoek dan helemaal uiteenrafelen.
Bron
F. Beckers, Leuven, 1947
Commentaar
1.6 Weerwolven
zuid-limburgs
De hond met de ketting: variante 4
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Guigoven   
