Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CDEWI1067_1069_32482

Een sage (mondeling), dinsdag 19 januari 1999

Hoofdtekst

48 Q -Een kennis en die kennis die vertelt mij toevallig ook, “Ah, hoe is het met u?” – “Goed” hij is ook verleden zomer getrouwd, “Goed.” (onze informante berispt mevrouw Bérénice die alle kopjes naar de keuken wou dragen opdat onze informante die haar pols gebroken had dit niet meer zou hoeven doen.)48 -Die kennis dat komt te pas en “Hoe is het met uw zus en uw broer?” – “Oh, zwijgt mens!” zegt hij, “maar met mijn broer is dat niet zo goed”, ik zeg: “Hoe? Met uw broer is dat niet zo goed?” Ge kent hem wel ze (hoor) (tegen mevrouw Bérénice, inf.46), ik zeg: “Hoe dat?” tegen hem, “Wel jong,” zegt hij, “die heeft om de zoveel dagen of om de zoveel weken, maar altijd op dezelfden tijdstip”, laat ons nu zeggen dat hij de derde maandag of een vijfde zondag als er zoiets zou zijn hé, droomt hij, maar hij beweert dat hij niet droomt, dat het echt is. En d’er staat een zwarte, met een zwarte hoed, g’heel in ‘t zwart gekleed aan zijn bed en hij zegt altijd: “Ik kan mij niet weren, ik kan mij niet meer weren tegen die vent en die vent, ik word dat gewaar ...”II -Terroriseert hem?48 - “Die gaat mij dooddoen. Hij gaat mij op een zekere keer vermoorden!” en ik heb hem gezegd: “Mag ik dat zeggen, want ik ga met iemand spreken die er gaat aan geïnteresseerd zijn.” – “Ja” zegt hij, “Absoluut! En desnoods ...” zegt hij, “als dat zou zijn, voor het adres een keer door te geven.” Maar ik heb het natuurlijk nog niet dat adres, maar ik ga u dat doorgeven dat adres.I -Ah, maar anders, ik kan die mens niet helpen, die is misschien meer geholpen met iemand die dat kan (aflezen).48 -Ja, maar gij kunt misschien al een keer zeggen, ik zou dat of dat of daar of daar... (Blijkbaar was er hier een serieus misverstand, daar informante 48 dacht dat ik zelf een heleboel van toverij en het verdrijven ervan afwist. Nochtans had ik steeds duidelijk aan haar vriendin mevrouw Bérénice gezegd dat het voor een thesis was dat ik verhalen verzamelde.)II -Jamaar, haar studie is van Germaanse in feite hé, in’t kader van Germanistiek.46 -...een student die dat studeert of niet nee?48 -En dat meisje die daarmee getrouwd is die zegt ook: “Ge moet hem zien dat is dus een mens die in alle staten is, dat is, hij zuipt van het water die uit hem berst van schoute (angst)” zegt ze: “D’er gaat in die mens iets om hé.”II -En het is altijd op dezelfde periode.48 -En het is altijd op dezelfde periode en het is altijd op zijn slaapkamer, als hij ‘s nachts dus, op een bepaald uur, of dat weet ik nu niet.II -En heeft dat met de maan te zien?48 -Dat weet ik dus niet.I -Wel, één informant heeft dat dus ook verteld, maar dat was geen angstige droom, maar die heeft dat als kind meegemaakt, Albert Verheyen uit Strijpen, allez ge weet, die mensen van Sint-Goriks,(tot mijn vader), II -Ja, ik weet wel.I -Wel die ik heb nu onlangs dat interview, ik had dat al gans uitgetypt en ik heb dat nog een keer gelezen en die zei ook, elk jaar droomde hij hetzelfde, op den duur zit ge te wachten elk jaar, “Ja, het is fleus (bijna) de tijd, ik ga die droom terug een keer moeten hebben” en dat hij ook altijd hetzelfde droomde, maar dat was niet iets kwaad, volgens dat hij vertelde was dat toch niet iets dat, dat hem schrik aan joeg.48 -Maar die jongen is getrouwd, die heeft dat vroeger nooit gehad. En weet ge wie dat dat is? Koen De Smet van Bevegem, Paula haar Koen, zijn broer, hoe heet hij nu? Mark? Is dat geen Mark?46 -Ja, ik weet niet.48 -... is getrouwd, maar hij woont hier niet. En dat is die jongen die dat voorheeft.46 -Waarom gaan ze bij de paters niet?I -En wat peinst hij van die?48 -Koen is ook getrouwd hé.46 -Is Koen getrouwd?48 -Ja. Ja, hij woont in Oudenaarde. Koen is verpleger hé, dat weet ge?46 -Ja, dat weet ik.48 -Hij heeft zijn studies gedaan achterna, ja en Koen heeft mij dat verteld, zegt hij: “mijn broer moet geholpen worden ...”46 -En hebt ge het nog niet gezegd voor naar de paters te gaan?48 -Ja, ik heb het hem gezegd, maar d’er kwam thuns (dan) nog iemand el(anders) bij en tussen, maar ik zie hem morgen, Koen.46 -Wel ge moet hem dat een keer zeggen.48 -Ik ga hem dat alleszins een keer opschrijven. Misschien hebben ze dat al gedaan, ik weet dat nu niet hé, Béréniceken.II -Is het in Dendermonde dat ge gaat?46 -Ja, en in Affligem kunt ge ook hé.I -En wat peinst hij van die man, is dat de duivel?48 -Hij weet het niet. Hij stelt hem van alles voor,n maar het is in alle geval een zwarte figuur, een zwarte hoed, een zwarte mantel, helemaal in ‘t zwart, een wreed grote mens en die staat aan zijn bed en hij zegt: “Ik krijg een boodschap door dat hij mij gaat vermoorden, die gaat mij dooddoen.”

Beschrijving

Een man zag altijd omstreeks hetzelfde tijdstip een zwarte gedaante met een zwarte hoed bij zijn bed staan. De man was doodsbang omdat de gedaante hem wilde vermoorden en hij zich niet kon verdedigen.

Bron

C. De Winne, Leuven, 1999

Commentaar

1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
48Q
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Zottegem    Zottegem