Hoofdtekst
Jamaar, ’t schijnt dat er den dag van vandage op den boskant in Grijsloke nog zitten die kunnen toveren. En ’t zijn daar vele mensen die der van ziek zijn en sukkelen en van ’t ene ongeluk naar ’t ander gaan. En ’t beste van al is nog gaan dienen en paasnagels onder de deure steken, want ze kunnen toen in uw huis niet komen. Ofwel ge moet zeggen: "Allé, kom maar binnen!" Maar als ge niet zegt "allé, kom maar binnen" zullen ze in uw huis niet kunnen. En ’t schijnt, als ge ‘nen gewijden trouwring onder ulder’ne stoel legt, dat ze niet meer buiten kunnen gaan totdat ge hem wegpakt, en ze moeten zij toen schone spreken omdat ze zouden verlost zijn.
Beschrijving
In Grijsloke wonen mensen die kunnen toveren. Wie het slachtoffer werd van zulke toverij, moest op bedevaart gaan en paasnagels onder de deur steken, waardoor de toveres niet meer binnen kon, tenzij men uitdrukkelijk zei: "Kom maar binnen!" Als men een gewijde trouwring onder de stoel van een toveres had gelegd, dan kon de toveres het huis niet verlaten vooraleer men de trouwring had weggenomen.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (tussen schelde en leie)
386
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Anzegem   
Plaats van Handelen
Grijsloke   
