Hoofdtekst
Ik was een jaar of veertien... Bij Deveneyns waren dat bijenhouders. En als de kinderen een verkoudheid hadden gingen we om zeem. Als hij geen zeem meer had, moesten we bij Vanhoutte erom, op den Onderbos. En 's avonds, het was in de maand december, zei mijn vader : „Moest gij eens bij Vanhoutte gaan om zeem..." Ik, met een glas, om zeem. Ik kwam voorbij een bos en als ik terugkwam, en als ik aan dat bos kwam, zo halverwege, hoorde ik: krrr... krrr... krrr.. En ik hurken en kijken en ik hoorde altijd van dat spoken. En hoe meer ik omkeek, hoe schuier ik werd. En ik begon te lopen. En als ik aan de huizen kwam waar Mielie De Jonge woont, aan dat ketseke, keek ik om, om te zien of ze niet achter mij kwamen, neen. En als ik thuiskwam en ik vertelde dat, dan hadden ze nog leute met mij.
Onderwerp
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
Beschrijving
Een veertienjarige jongen moest op een decemberavond bij een imker uit de buurt een glas honing gaan halen. Op zijn weg naar huis hoorde de jongen in het bos een geluid dat klonk als “Krrr.... Krrrr.... Krrr”. De jongen liep naar huis zo snel hij kon. Daar lachte men met de angsten die hij had uitgestaan.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (zuiden)
23D
1912
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Leupegem   
