Hoofdtekst
Daar waren ooch eens twee mensen, dat heeft mij vader nog dik verteld, die gingen 's nachts ergens henne en op ne keer horen ze 't schoonste muziek. Maar ze wisten nie boe 't van kwam, maar ze gingen maar toe en op ne keer stonden ze er aan. Dat was 'n soort brak, 'n plaats zo allé. En dat was 't schoonste muziek zeleve gehoord.'Mijne goeie God, wat mag dat toch zijn' zei den enen en alles viel in duigen. Dat was ooch weer zo iet van den duivel, dat had allemaal zijn dingen hé, jong.
Beschrijving
Twee mannen die 's nachts op pad waren, hoorden wondermooie muziek. Toen één van de mannen riep: "Mijn goede God, wat mag dat toch zijn?", was alles plots verdwenen. Het had iets te maken met de duivel.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (noord-west)
110
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Peer   
