Hoofdtekst
Me vier joenge gasten en ze’n keer ’n hespebeen begraven me litanieën lik voe ne mens. Al wat da ze nadien begosten sloeg tegen en ze zien alle viere gecrepeerd lik de zwiens. ‘k En ik altied hoord dat da ’t geestelik was die do voer entwa tuschen zat .
Beschrijving
Vier jonge kerels begroeven een hespenbeen en zongen daarbij spottend begrafenisliederen. Sindsdien hadden de jongens ongeluk bij alles wat ze ondernamen. De geestelijken hadden hen gestraft. Uiteindelijk zijn de jongens gecrepeerd zoals de varkens.
Bron
M. Vander Cruysse, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (n van brugge)
665
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Meetkerke   
